Category

Blog

‘We’ll meet again’, een schrale troost in tijden van Corona.

By | Blog

Een bijverschijnsel van de Corona crisis en de sociale isolatie is dat bij oude mensen de oorlog weer opspeelt. Ik merk het aan mijn moeder die nog net geen acht was toen de oorlog begon. ‘Natuurlijk is het nu anders,’ zegt ze. ‘We hebben telefoon (helaas is ze niet handig met de sociale media), licht en tv, maar toen moesten we ook zoveel mogelijk binnen blijven. Je wist niet hoelang het allemaal zou duren en welke maatregelen er nog zouden volgen. We betaalden honderd gulden voor een kilo appels.’

Toen was er sprake van een menselijke onderdrukker die selectief groepen vervolgde, nu een onzichtbaar virus dat geen onderscheid maakt in wie het treft.

Destijds was het heel ongewis hoe mensen zich gedroegen. Je behulpzame buurman kon zomaar bij de NSB zitten, of je zwager die uit zichzelf in het land van de bezetter ging werken. Anderen kozen juist voor het verzet. Oorlog als een virus dat ingrijpt op de menselijke geest.

In het manuscript dat ik onlangs afrondde, speelt de Tweede Wereldoorlog een belangrijke rol. Twee musici, hij joods en zij niet-joods, gemengd gehuwden die in de oorlog drie kinderen kregen. Zij kon ‘gewoon’ doorspelen en hij niet, collega-musici die verdwenen, of die zich bij de NSB aansloten om inkomen te genereren. Wie was goed en wie was kwaad? Wie kon je vertrouwen? Welk lot stond je joodse collega’s (en misschien ook jezelf) te wachten?

Dat de oorlog tot in zeker twee of drie generaties daarna nog doorwerkt, wordt ook duidelijk in mijn boek door het tragische verhaal van de kinderen van de musici, die een leven lang de naweeën van de oorlog voelden en nog voelen.

Elke keer als ik vluchtelingkinderen zie, op het beeldscherm of in de krant, vraag ik me dat af: hoelang zal de oorlog in hun en hun nazaten, nog voortleven?

Mijn moeder (2e van rechts) en haar vriendinnen na de oorlog.

Onlangs zong Hadewich Minis bij M de oorlogsklassieker ‘We’ll meet again’, van Vera Lynn. De Engelse zangeres die inmiddels 103 jaar is – ze werd in hetzelfde jaar geboren als mijn twee hoofdpersonen – en wiens naam voor altijd verbonden is met dit lied, maakt nu een revival van haar oorlogssong mee.

‘We’ll meet again,’ het lied dat symbool stond voor soldaten die in de Tweede Wereldoorlog naar het front vertrokken en de belofte dat ze hun geliefden ooit weer terug zouden zien.

Minis zong het krachtig, mijn moeder keek, was ontroerd en ontdaan. De oorlog kwam nog sterker binnen, de herinnering aan haar vader die in het laatste oorlogsjaar een longontsteking had, wiens grootste verlangen een witte boterham met boter en suiker was, de tulpenbollen die ze noodgedwongen moesten eten.

Mensen als mijn moeder, die de tachtig ruim gepasseerd zijn, in wiens hoofd oorlogsherinneringen rondspoken en die bezoek en hulp afhouden uit angst voor het gevreesde virus, mogen hopen dat ze ooit weer onbekommerd bij hun kinderen, kleinkinderen en vriendinnen langs kunnen. We’ll meet again. De onzichtbare Corona-vijand zorgde ervoor dat de allergrootste oorlogssong ever weer op de hitlijst kwam. Een schrale troost.

Kleurenblind en onzichtbaar

By | Blog

Door de Coronacrisis eindelijk toegekomen aan Kleurenblind, de autobiografie van comedian Trevor Noah. Een fascinerend verslag van een jeugd in het Zuid-Afrika van de jaren tachtig en negentig, toen apartheid nog in elke vezel van de maatschappij voelbaar was. Noah, o.a. bekend van zijn optredens in The Daily Show, heeft een Xhosa-moeder en een Zwitserse vader, wat maakte dat hij in zijn jeugd  voortdurend op zoek was naar zijn identiteit als kleurling. Als hij dan toch een kleur moest kiezen, was het zwart, zoals de familie van zijn moeder.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is 92000000713802611-1.jpg

Hij geeft een zeer liefdevol portret van zijn moeder, als een eigenzinnige dame, die haar familie verliet omdat ze haar eigen weg wilde gaan, zich niets aantrok van de strenge wetten van de apartheid, aan de slag ging als secretaresse (een baan die begin jaren tachtig uitsluitend was weggelegd voor witte vrouwen), die haar Zwitserse buurman ‘gebruikte’ om een kind te krijgen en Trevor tot zijn negende vrijwel alleen opvoedde.

Wat mij vooral raakte was dat deze intelligente vrouw, die diep gelovig was en op zondagen haar zoon naar maar liefst drie kerkdiensten (zwart, wit en gemengd) meesleepte, zich liet inpalmen door een ‘foute’ man. Abel, de stiefvader van Trevor, was alcoholist met een slechte dronk en losse handen. Uiteraard had dit zijn weerslag op Trevor, die liever op straat ronddoolde dan thuis was, illegale handeltjes begon, werd opgepakt en op wonderlijke wijze uit de gevangenis wist te blijven.

Noah beschrijft compact, bijna zakelijk, hoe ongewis het is om in een onveilige omgeving op te groeien. In goede tijden is Abel charmant, grappig, een kameraad. Maar je weet nooit wanneer het beest in hem ontwaakt. Trevor ziet hoe voor zijn ogen zijn moeder in elkaar wordt geslagen. Ook hij ontkomt niet aan de harde handen van zijn stiefvader en slaat regelmatig op de vlucht. Als hij aan zijn moeder vraagt waarom Abel zo doet, zegt ze: omdat hij mij eronder wil krijgen. En blijkbaar lijdt deze vrouw aan een onverbeterlijk redderssyndroom. Op zijn zeventiende verlaat Trevor het ouderlijk huis, en breekt met zijn moeder omdat hij niet begrijpt dat zij bij deze alcoholist blijft.  Zijn moeder begrijpt  het, dat heeft ze destijds zelf immers ook gedaan.

Terwijl ik dit boek las, leven we in tijden van niet alleen sociale isolatie, maar ook van sterk toenemend huiselijk geweld. En dat is helaas een wereldwijd gegeven. Het gaat hand in hand met de verspreiding van het Corona-virus. Er zijn in Nederland al beelden opgedoken van een docente die, terwijl zij online lesgaf, werd mishandeld door haar man. En ook van leerlingen die voor het oog van de camera werden mishandeld door een ouder. In Frankrijk is er een toename van wel 40% van het huiselijk geweld, zo las ik in Trouw. Apotheken die een wachtwoord hebben waarmee vrouwen kunnen aangeven dat ze misbruikt worden (Masker 19), zodat de apotheekmedewerker de politie kan inlichten. Ik kan alleen maar hopen dat er meer manieren worden gevonden om slachtoffers van huiselijk geweld bij te staan. Hulplijnen waar kinderen chatten over onveilige thuissituaties zien een toename. Bij de Kindertelefoon voerden ze zelfs tot 40% meer gesprekken dan normaal over huiselijk geweld en seksueel misbruik, stond op de derde maandag van de quarantaine in de Volkskrant. Een vriendin die in de vrouwenopvang werkt, verwacht een enorme toestroom in de nabije toekomst. Kunnen ze dat wel aan? Het is tragisch dat mensen gedwongen op elkaar te zitten in onveilige situaties. Trevor Noah kon destijds weglopen, in de Coronacrisis ligt ook dat een stuk lastiger.

Trevor wordt na jaren van stilte onverwacht opgebeld door zijn broer met het bericht dat zijn moeder is neergeschoten door Abel (uiteindelijk heeft ze deze man, met wie ze nog twee zonen kreeg toch verlaten). Het loopt  op wonderbaarlijke wijze goed af, de kogel in haar achterhoofd, heeft vrijwel geen kwaad aangericht. Maar hoe zal het hier zijn, welke blijvende schade zal deze pandemie van huiselijk geweld veroorzaken? Levensverhalen als van Trevor Noah geven je een inkijk in de harde werkelijkheid. Kenmerkend voor huiselijk geweld is dat het onzichtbaar is. We kunnen alleen maar hopen dat een bij-effect van deze crisis is dat er meer aandacht komt voor huiselijk geweld, zodat er kan worden ingegrepen. Een veilige thuisomgeving is een basisrecht.  

Een Nachtzoen als Vlog

By | Blog

https://www.npostart.nl/de-nachtzoen/04-10-2019/VPWON_1302257

Over het boek waar ik al een tijdlang aan werk: een schrijnend verhaal over een moeder die het bestaan van haar drie kinderen ontkent en de kinderen die opgroeien in tehuizen. Over waarom ik mijn weerzin tegen die moeder overwon, haar jeugd indook en het verhaal van non-fictie herschrijf in fictie. Dat doet geen afbreuk aan de werkelijkheid, maar maakt het verhaal nog beter invoelbaar. Plus een Nachtzoen in gebarentaal.

Zoek je niche, schrijf, geef een boek uit en sla ondertussen wat zijpaden in

By | Blog

Je eigen boek uitgeven, lange tijd hing er een zweem van ‘mislukking’ omheen. Dan was je dus niet binnengekomen op de burelen van een uitgever. Eerlijk gezegd had ik altijd ook wel te doen met die mensen die hun roman in een oplage van een paar honderd exemplaren moesten zien te slijten. Tegelijkertijd was ik er dubbel in: had een van mijn lievelingsdichteressen, de Russische Marina Tsvetajeva, een van de groten van de vorige eeuw, niet haar eerste bundel in eigen beheer uitgegeven?

Er is een kentering gaande in het schrijversvak, zo zag de Auteursbond, de vakvereniging voor schrijvers en vertalers. Ze merkten daar dat het onderwerp leeft bij de achterban en dat het tijd werd alle inns en outs rond self-publishing eens grondig te beschrijven. In opdracht van de Auteursbond schreef ik een longread over het onderwerp. Self-publishing kan bijvoorbeeld wel eens een beter verdienmodel  zijn dan de traditionele weg via een uitgever. Want zelfs met een modelcontract in handen is het pezen: de auteur krijgt 10% royalties per titel, in een oplopende staffel naarmate er meer boeken worden verkocht (tot max. zo’n 15%). En afrekening één keer per jaar na afloop. Er zijn inmiddels zoveel nieuwe manieren van uitgeven verschenen (wie heeft de rechten over de podcast die van het boek is gemaakt? Of hoe zit dat met de Spotify voor boeken), dat men ook binnen de uitgeverswereld zelf zoekende is.

Het werd vooral  ook een  artikel  over empowerment van de schrijvende medemens, want eerlijk gezegd was ik behoorlijk onder de indruk van de auteurs die ik sprak. Stuk voor stuk ondernemende creatievelingen die niet bang zijn om hun hoofd boven het maaiveld uit te steken en zaken anders aan te pakken. Het zijn ook niet de minsten: Frank Krake kreeg zijn boek De laatste getuige op eigen kracht genomineerd voor de NS-Publieksprijs; Nanda Roep was de beoogde nieuwe Francine Oomen, maar had daar helemaal geen zin in en volgde haar eigen pad; Geert Kimpen had met zijn Kabbalist een bestseller, en besloot toch zelf het heft in handen te nemen door zijn eigen uitgeverij te starten.

Lees verder: https://auteursbond.nl/files/2019/01/AB_Longread_def.pdf

Stap uit je niche

Wat ik van de meeste auteurs/uitgevers die ik interviewde te horen kreeg: zoek je doelgroep en probeer je eigen niche te vinden. Dat was niet nieuw, maar toch raakte het me. Nanda Roep bijvoorbeeld leerde ik zo’n twintig jaar geleden kennen en af en toe lopen we elkaar ergens tegen het lijf.

‘In deze hoedanigheid (journalist) kende ik je nog niet,’ zei ze me toen ik haar sprak voor het artikel. ‘Elke keer als ik je spreek doe je wat anders.’

Is dat zo? Ik hoor het wel vaker, dat het lastig is voor mensen om me in een hokje te duwen. Nanda kent me als jeugdboekenschrijfster, pr-medewerker bij een uitgeverij (dat was twee decennia geleden een zwangerschapsvervanging), als voorzitter van een journalistenclub. Valt eigenlijk wel mee dus.

Voor mij blijft schrijven de boventoon voeren, maar ook iemand die schrijft moet eten. Zo simpel is het. Daarom ben ik yogales gaan geven (sorry, nog een ‘hoedanigheid’), nog voordat het zo booming werd. Het is prima te combineren met het zittend schrijversbestaan. Maar toch: doe ik niet te veel van alles wat en daardoor juist net niets?

 

Ego in meervoud

De Grieks-Armeense mysticus George Gurdjieff  beweerde dat je niet één bent, maar een menigte. Dat er vele ‘ikken’ en vele ‘ego’s’ zijn. Wat je ook verder van de man en zijn leringen moge denken, hier kan ik wel wat mee.

‘Focus je op je pad,’ leert de god Krishna zijn leerling, de strijder Arjuna, in de Bhagavad Gita. Maar dan moet je wel weten welk pad je gaat volgen. Bij Arjuna was dat eenvoudig, hij was geboren als strijder (in India lag dat een stuk duidelijker) en moest dus het slagveld opgaan.

Mijn pad loopt via kronkelpaden en zijwegen: schrijver, docent yoga- en meditatie en sinds een poosje studeer ik ook Religiewetenschappen. Maar de hoofdweg, de rode draad, blijft zichtbaar: alles gaat over zingeving. Is niet al het schrijven erop gericht om zin te geven aan het leven, al is het maar aan dat van jezelf: schrijven om de wereld te duiden? Het is trouwens opvallend dat het aandeel schrijvers/journalisten onder deze ‘tweede kans’-studenten relatief groot is.

 

Heksenkind

Toen tijdens de studie het onderwerp religie en gender aan de orde kwam, werd Monica Furlong veelvuldig geciteerd. Zij was feministisch theologe, maar ik ken haar als de schrijfster van de indrukwekkende jeugdromans Juniper en Heksenkind. Voor mij een verrassende ontdekking, maar zo logisch ook. Een en ander kan elkaar dus positief beïnvloeden. Mijn devies: hou je hoofddoel in de gaten, – je main road -, en maar sla met regelmaat eens een zijweg in. Er is zoveel boeiends, waarom zou je je grenzen niet oprekken?

Zoek je niche, schrijf, geef een boek uit en sla ondertussen wat zijpaden in

By | Blog

Je eigen boek uitgeven, lange tijd hing er een zweem van ‘mislukking’ omheen. Dan was je dus niet binnengekomen op de burelen van een uitgever. Eerlijk gezegd had ik altijd ook wel te doen met die mensen die hun roman in een oplage van een paar honderd exemplaren moesten zien te slijten. Tegelijkertijd was ik er dubbel in: had een van mijn lievelingsdichteressen, de Russische Marina Tsvetajeva, een van de groten van de vorige eeuw, niet haar eerste bundel in eigen beheer uitgegeven?

Er is een kentering gaande in het schrijversvak, zo zag de Auteursbond, de vakvereniging voor schrijvers en vertalers. Ze merkten daar dat het onderwerp leeft bij de achterban en dat het tijd werd alle inns en outs rond self-publishing eens grondig te beschrijven. In opdracht van de Auteursbond schreef ik een longread over het onderwerp. Self-publishing kan bijvoorbeeld wel eens een beter verdienmodel  zijn dan de traditionele weg via een uitgever. Want zelfs met een modelcontract in handen is het pezen: de auteur krijgt 10% royalties per titel, in een oplopende staffel naarmate er meer boeken worden verkocht (tot max. zo’n 15%). En afrekening één keer per jaar na afloop. Er zijn inmiddels zoveel nieuwe manieren van uitgeven verschenen (wie heeft de rechten over de podcast die van het boek is gemaakt? Of hoe zit dat met de Spotify voor boeken), dat men ook binnen de uitgeverswereld zelf zoekende is.

Het werd vooral  ook een  artikel  over empowerment van de schrijvende medemens, want eerlijk gezegd was ik behoorlijk onder de indruk van de auteurs die ik sprak. Stuk voor stuk ondernemende creatievelingen die niet bang zijn om hun hoofd boven het maaiveld uit te steken en zaken anders aan te pakken. Het zijn ook niet de minsten: Frank Krake kreeg zijn boek De laatste getuige op eigen kracht genomineerd voor de NS-Publieksprijs; Nanda Roep was de beoogde nieuwe Francine Oomen, maar had daar helemaal geen zin in en volgde haar eigen pad; Geert Kimpen had met zijn Kabbalist een bestseller, en besloot toch zelf het heft in handen te nemen door zijn eigen uitgeverij te starten.

Lees verder: https://auteursbond.nl/files/2019/01/AB_Longread_def.pdf

Stap uit je niche

Wat ik van de meeste auteurs/uitgevers die ik interviewde te horen kreeg: zoek je doelgroep en probeer je eigen niche te vinden. Dat was niet nieuw, maar toch raakte het me. Nanda Roep bijvoorbeeld leerde ik zo’n twintig jaar geleden kennen en af en toe lopen we elkaar ergens tegen het lijf.

‘In deze hoedanigheid (journalist) kende ik je nog niet,’ zei ze me toen ik haar sprak voor het artikel. ‘Elke keer als ik je spreek doe je wat anders.’

Is dat zo? Ik hoor het wel vaker, dat het lastig is voor mensen om me in een hokje te duwen. Nanda kent me als jeugdboekenschrijfster, pr-medewerker bij een uitgeverij (dat was twee decennia geleden een zwangerschapsvervanging), als voorzitter van een journalistenclub. Valt eigenlijk wel mee dus.

Voor mij blijft schrijven de boventoon voeren, maar ook iemand die schrijft moet eten. Zo simpel is het. Daarom ben ik yogales gaan geven (sorry, nog een ‘hoedanigheid’), nog voordat het zo booming werd. Het is prima te combineren met het zittend schrijversbestaan. Maar toch: doe ik niet te veel van alles wat en daardoor juist net niets?

 

Ego in meervoud

De Grieks-Armeense mysticus George Gurdjieff  beweerde dat je niet één bent, maar een menigte. Dat er vele ‘ikken’ en vele ‘ego’s’ zijn. Wat je ook verder van de man en zijn leringen moge denken, hier kan ik wel wat mee.

‘Focus je op je pad,’ leert de god Krishna zijn leerling, de strijder Arjuna, in de Bhagavad Gita. Maar dan moet je wel weten welk pad je gaat volgen. Bij Arjuna was dat eenvoudig, hij was geboren als strijder (in India lag dat een stuk duidelijker) en moest dus het slagveld opgaan.

Mijn pad loopt via kronkelpaden en zijwegen: schrijver, docent yoga- en meditatie en sinds een poosje studeer ik ook Religiewetenschappen. Maar de hoofdweg, de rode draad, blijft zichtbaar: alles gaat over zingeving. Is niet al het schrijven erop gericht om zin te geven aan het leven, al is het maar aan dat van jezelf: schrijven om de wereld te duiden? Het is trouwens opvallend dat het aandeel schrijvers/journalisten onder deze ‘tweede kans’-studenten relatief groot is.

 

Heksenkind

Toen tijdens de studie het onderwerp religie en gender aan de orde kwam, werd Monica Furlong veelvuldig geciteerd. Zij was feministisch theologe, maar ik ken haar als de schrijfster van de indrukwekkende jeugdromans Juniper en Heksenkind. Voor mij een verrassende ontdekking, maar zo logisch ook. Een en ander kan elkaar dus positief beïnvloeden. Mijn devies: hou je hoofddoel in de gaten, – je main road -, en maar sla met regelmaat eens een zijweg in. Er is zoveel boeiends, waarom zou je je grenzen niet oprekken?

Schrijfinspiratie nodig?

By | Blog

25 oktober – Hoe schrijf je je los?

uur, Ruimte voor Aandacht, Utrecht

Loop je vast in je artikel, verhaal of vertaling, en wil je technieken onderzoeken om weer verder te kunnen? Schiet het niet op met je werk en vind je het lastig om je te focussen tijdens het schrijven? Heb je het gevoel dat je jezelf herhaalt? Wil je op zoek naar een nieuwe uitdaging in het schrijven? Welke gedachten zitten je in de weg en hoe ga je daarmee om?

 

In de tweede editie van dit coachingscollege ga je praktisch aan het werk, met een kleine groep. Je werkt met schrijfoefeningen die je uitnodigen om vanuit een ander perspectief naar je eigen schrijfproces en je eigen teksten te kijken. Waar is je schrijfroutine nog vruchtbaar en waar niet meer? En is het dan mogelijk je routine te doorbreken en jezelf los te weken van vaste schrijfgewoontes? Met technieken vanuit mindfulness en yoga onderzoek je zonder deadline en zonder doel je plezier in het schrijven. Niets zweverigs aan, overigens. Beide benen blijven op de grond.

 

 Voor wie?

Schrijvers en vertalers die willen experimenteren met technieken om hun schrijfproces te analyseren.

 

Individueel vervolg?

Na een coachingscollege kun je nog individuele vragen hebben. Daarvoor biedt Christel Jansen ook individuele coaching aan, en de Auteursbond geeft een ruime vergoeding.

 

Praktische info

  • Datum: donderdag 25 oktober
  • Tijd: 13.00 tot 17.00 uur
  • Locatie: Ruimte voor Aandacht, Singelsteeg 2, Utrecht
  • Leden: € 30
  • Niet-leden: € 40. Als niet-leden binnen een week na het coachingscollege lid worden van de Auteursbond, wordt het verschil verrekend met de contributie.
  • Maximaal aantal deelnemers: 12
  • Koffie en thee inbegrepen
  • Aanmelden via:https://auteursbond.nl/agenda/event/25-oktober-hoe-schrijf-je-je-los/

 

Hoe je als schrijver je crisis te gelde maakt

By | Blog

De schrijver: hij schrijft zoals hij ademt en hij ademt zoals hij schrijft.

Met deze Russische uitdrukking opende journalist/schrijver Pieter Waterdrinker onlangs de VPRO avond waarin hij te gast was. Wat ermee wordt bedoeld? Ongeveer het volgende: het beste wat een schrijver kan overkomen is dat hij doordringt tot zijn eigen kern, zowel qua toon als qua thematiek.

Maar wat als de bron waaruit je put opdroogt? Als je niet meer weet waarom je eigenlijk schrijft? De Amerikaanse schrijfster Elizabeth Gilbert (van o.a. Eten, bidden, beminnen) schreef in haar column in Happinez hoe ‘beangstigend stuurloos’ zij zich voelde, toen ze merkte dat ze totaal geen passie meer voelde voor het boek waar ze al een tijdlang aan werkte. Op advies van een vriendin stortte zij zich op het tuinieren. Het had een louterend effect en na een half jaar kon ze weer verder met haar manuscript. Ik ken schrijvers die gaan wandelen, schilderen, of als postbode aan de slag gingen. De onlangs overleden Renate Dorrestein maakte haar crisis te gelde en schreef De Blokkade over haar ‘writersblok’. Zelf pakte ik weer een studie op: religiewetenschappen. Het gaf me een boost aan zelfvertrouwen. Ik merkte niet alleen dat mijn hersenen nog prima werken (iets trager misschien dan een kwart eeuw geleden), maar ook dat ik inspiratie haal uit de grote verhalen van de wereldreligies.

 

Mijn biecht

Een van de schrijvers die zijn crisis als geen ander in beeld bracht, was Lev Nikolajevitsj Tolstoj (1828-1910). De schepper van klassiekers als Anna Karenina en Oorlog en vrede was de vijftig gepasseerd, had alles – grote roem als schrijver, rijkdom was hem door zijn geboorte als graaf al toebedeeld – maar vroeg zich af wat de zin van het leven was. Hij voelde zich overbodig, nutteloos en onbegrepen. Zelfdoding leek hem de enige logische uitweg. Alleen begreep hij niet waarom hij dat dan toch niet deed en hij vroeg zich af wat het dan was dat hem aan het leven bond? Hij ging onder andere te rade bij de wetenschap, de filosofie, de Russische Orthodoxe kerk en bij het boeddhisme. Zijn zoektocht noteerde hij nauwgezet in Mijn biecht.

Op zijn negentiende was Tolstoj al met de oosterse leer in aanraking gekomen, toen hij een boeddhistische monnik ontmoette die herstellende was van een roofoverval. De monnik vertelde Tolstoj dat hij niet had teruggevochten omdat hij het boeddhistische principe van ahimsa, geweldloosheid aanhing. Daarmee maakte hij diepe indruk op de jonge graaf, die de rest van zijn leven interesse in deze leer zou houden.

Van pen naar zeis

Tijdens zijn crisis vindt Tolstoj zelfs bevestiging in de leer van Boeddha. Predikte die niet dat het leven lijden is? ‘Te leven met het besef dat lijden door ziekte, oude leeftijd of dood onvermijdelijk is, zou men zich moeten bevrijden van het leven,’ schrijft de getergde schrijver. ‘Ik wist niet wat ik wilde: ik was bang voor het leven, wilde het verlaten, maar ondertussen verwachtte ik er toch iets van.’

Tolstoj had in die tijd nog maar weinig bronnen over het boeddhisme tot zijn beschikking. Hij kon misschien niet weten dat zelfmoord in de opvatting van Boeddha geen optie is, omdat lijden nu eenmaal bij het leven hoort.

Uiteindelijk ruilde Tolstoj zijn pen in voor een zeis en ging hij met de boeren het land bewerken. Hij mat zich een uiterst sobere en eenvoudige levensstijl aan, maar voor de arbeiders op zijn landgoed was het niet meer dan een gril van de gefortuneerde landheer.

Voor Tolstoj niet: hij wilde de armoede niet alleen voor zichzelf, maar ook voor zijn naasten. Hij had de mond vol over naastenliefde, maar ontvluchtte op hoge leeftijd het huis om te ontkomen aan de ruzie met zijn vrouw en enkele van zijn kinderen – die er niet van gecharmeerd waren dat hij afstand had gedaan van zijn auteursrechten.

 

En de vogel die vliegt

En toch was het juist deze periode van wroeten in de aarde die de schrijver nieuwe inzichten bracht.

Twee jaar lang dacht hij dat de daden van het gewone volk er als enige toe deden, om er uiteindelijk achter te komen dat ieder mens en ieder dier zijn eigen taak te vervullen heeft, dat ‘de vogel bestaat om te vliegen.’

‘Wat moet de mens dan doen?’ zo vraagt hij zich af. ‘Hij moet het leven net zo gewinnen als dieren, met dit verschil, dat hij te gronde gaat wanneer hij het als eenling gewint, hij moet het niet voor zichzelf gewinnen, maar voor anderen. En als hij dat doet, dan weet ik zeker dat hij gelukkig is en zijn leven zinvol.’ En even verder vervolgt hij zijn stichtende woorden: ‘?Als ik niet doe wat van mij wordt verlangd, dan zal ik nooit en te nimmer begrijpen wat er van mij wordt verlangd, en al helemaal niet wat er van ons allen en van de gehele wereld wordt verlangd.’

Nog een inzicht: op het land zag hij ook dat de hardwerkende en diepgelovige landarbeiders een ‘rustige dood stierven, zonder angst en wanhoop’.  ‘In onze kringen een zeer zeldzame uitzondering, ‘noteert Tolstoj, ‘terwijl een onrustige, opstandige en vreugdeloze dood juist een erg zeldzame uitzondering is bij het volk.’ Het leverde de wereldliteratuur de novelle De dood van Ivan Iljitsj op, en de familievete verwoordde hij in De Kreutzersonate.

Toegegeven, zijn grootste werken schreef hij voor zijn midlife crisis, maar hij keerde uiteindelijk toch terug naar de taak die voor hem op deze wereld was weggelegd: schrijven.

 

 

De citaten zijn afkomstig uit Mijn biecht van Lev Tolstoj, vertaling Arthur Langeveld met een nawoord van Patricia de Martelaere, uitgave van de erven J. Bijleveld, 2017 4e editie.

 

Op 11 september geef ik weer een workshop dat raakt aan dit thema: https://auteursbond.nl/agenda/event/11-september-hoe-schrijf-je-je-los/

 

Wil je mijn blogs blijven volgen? Schrijf je dan in op: http://christeljansen.nl/nieuwsbrief/

Zit, loop, poets en schrijf – gedachtes over meditatie, schrijven en een Russische dissidente dichter.

By | Blog

In 1998 verbleef ik in het gastenverblijf De Slangenburg in Doetinchem en maakte per abuis kennis met zenmeditatie. In de nabijgelegen Sint Willibrordsabdij bleek een plek vrij te zijn gekomen in de groep die er een meditatieretraite volgde. De zenmeester was Ton Lathouwers. Hij instrueerde me hoe te zitten voor zazen (zitmeditatie) en hoe te lopen bij kinhin (loopmeditatie), met aandacht en met inzet van de ademhaling. Verder geen uitleg, louter ervaren. Wat mij aantrok was de eenvoud. Er gebeurde niets speciaals daar in het stiltecentrum. Toch bleef ik thuis mediteren, ’s avonds een kwartiertje, nadat ik mijn (toen nog jonge) kinderen naar bed had gebracht. Het was alsof ik me oplaadde om daarna met mijn schrijven aan de slag te gaan. Meditatie hielp me te focussen, minder te piekeren en zo ontstond er ruimte in mijn overvolle brein. Ik besloot vaker in retraite te gaan.  Ik ging om alleen te zijn, om de stilte en stiekem ook om in mijn hoofd de plot voor een verhaal uit te denken, maar dat bleek niet de bedoeling. Niet lang daarna verscheen mijn eerste fictieboek.

 

Kleurrijk en onmogelijk

Aan deze periode dacht ik terug toen ik onlangs voor een artikel het verband tussen adem en schrijven verder wilde uitdiepen en een fragment tegenkwam waarin dit haarfijn wordt weergegeven. Ik las het in  Limonov van Emmanuel Carrère, een biografie over de avantgardistische ‘enfant terrible’ van de Russische literatuur.

De dissidente dichter Edward Limonov (1943), is een zowel onmogelijk als kleurrijk figuur. Hij werd in 1974 de Sovjet-Unie uitgezet, belandde in New York waar hij aan de zelfkant van de samenleving leefde, maakte furore met opruiende romans als Ik ben het Eddy en De Russische dichter houdt van grote negers, woonde als linkse intellectueel in Parijs, streed mee met de ultrarechtse huurlegers in de Servisch-Kroatische oorlog en keerde terug naar Rusland waar hij zich aansloot bij de oppositie tegen het regime van Poetin. Maar Poetin is niet gediend van oppositie en Limonov belandde in een streng bewaakte gevangenis.

 

Dromen is geen meditatie

Hier leerde Limonov, te midden van zware criminelen, mediteren van pasja Ribki. Deze pasja was een ‘kolos met een kaalgeschoren knikker’ die er op zijn dertigste al tien jaar gevangenis op had zitten. Hij at geen vlees, dronk heet water in plaats van thee ‘en deed indrukwekkende yogaoefeningen,’ zo schrijft Carrère. ‘Aanvankelijk gaat Limonov met gesloten ogen in lotushouding op zijn brits zitten, maar zodra hij de techniek onder de knie heeft, merkt hij dat hij overal kan mediteren, in alle discretie (…) onder de ochtendlijke vloeken van de begeleiders leert Edward zich in zichzelf terug te trekken en het gebied te bereiken waar hij buiten bereik is, rust vindt.’

Hij werd overgeplaatst naar een werkkamp waar het credo luidde: werken om te werken. Limonov voerde zijn taken, absurde schoonmaakklussen, met akelige precisie uit. Uren achtereen poetste hij wc-potten tot ze glansden als nooit te voren. Hij merkte dat hij bij het uitvoeren van deze monotone, repetitieve taken vanzelf begon te dromen. Carrère: ‘De pasja had hem hiertegen gewaarschuwd: dromen is exact het tegengestelde van mediteren. Het is een geestelijke ruis waarvan de meeste mensen zich niet eens bewust zijn, ook al gaat het om de ergste vorm van energie- en tijdverlies. Om eraan te ontsnappen telt Edward zijn ademhalingen, rekt ze, concentreert zich op de weg die lucht aflegt van zijn neusgaten tot zijn onderbuik en terug, of hij zegt gedichten op die hij uit het hoofd kent en focust zijn aandacht op elk vers, of –en dat gebeurt het vaakst – hij schrijft. In zijn hoofd natuurlijk, zoals Solzjenitsyn dat vijftig jaar eerder heeft gedaan: hij voltooit zin na zin, paragraaf na paragraaf, hoofdstuk na hoofdstuk, leert alles gestaag van buiten en verbetert zo dagelijks de prestaties van een sowieso al indrukwekkende harde schijf.’

 

Oproep!

Limonov gebruikt meditatie om te schrijven, om zijn geheugen te trainen zodat hij de zinnen en de woorden waarmee hij de verhalen van zijn medegevangenen in wilde weergeven, wist vast te houden. Beter kun je bijna niet verwoorden hoe ademhaling/meditatie en schrijven op elkaar inwerken. Ik ben op zoek naar scenes van of over andere schrijvers over de wisselwerking tussen meditatie en schrijven. Dus bij deze doe ik eens een oproep: gezocht scenes over ademen/meditatie en schrijven!

 

 

 

 

 

 

 

 

Een ochtendritueel – Ademen en schrijven 1

By | Blog

Jarenlang schreef ik voor de boekenbijlage van dagblad Trouw. Het was nog in de tijd vóór internet, dat je je artikelen uitknipte en keurig bewaarde in een map. Mijn zwager die in het buitenland woonde, wilde een keer toen hij op bezoek was, lezen wat ik zoal had geschreven. Ik gaf hem de map en hij las al mijn recensies achter elkaar. Het viel hem op dat ik een artikel vaak met een citaat begon. Niets mis mee op zich en ik wist dat een citaat vaak een prima manier is om mee van start te gaan, maar toch voelde ik me betrapt, alsof ik een kunstje uithaalde, alsof ik niet creatief met mijn teksten omging.

Als schrijver/journalist kun je er beter voor waken dat je niet te veel gewend gaat raken aan het stramien waarin je schrijft. Alsof je jezelf bij elke tekst weer een beetje opnieuw uitvindt, elke tekst een nieuwe uitdaging voor je creativiteit is. Je stijl mag herkenbaar zijn, graag zelfs, maar schrijven moet nooit voorspelbaar worden. Dan roest je vast.

 

Ochtendpagina’s                                                                                                                                              

Nu overkomt dit iedereen weleens. Mij ook recent nog, zoals ik in eerdere blogs al aangaf (http://christeljansen.nl/2018/01/15/hoe-het-bizarre-verhaal-van-mijn-hoofdpersoon-me-naar-mezelf-leidde/ en  http://christeljansen.nl/2018/05/12/inspiratie-is-geen-goddelijke-bron-schrijfplezier-wel/). Ik sloeg daarom The Artist’s Way van Julia Cameron maar weer eens open. Een jaloersmakende bestseller, hordes mensen lopen met de methode Cameron weg. Ik ben eerlijk gezegd nooit verder gekomen dan de morning pages, want het is voor mij een te Amerikaans,  juichend boek. De bedoeling van deze ochtendpagina’s is dat je elke dag meteen na het opstaan drie bladzijden vol pent, ongestructureerd, uit de losse pols. Het zou je helpen om weer los te komen, je geest te legen en ruimte te maken voor creativiteit.

Ik schoof mijn weerstand opzij en ging aan de slag. Ik merkte dat het prettig is om te schrijven alleen om het schrijven. Het begon zelfs mijn meditatie te vervangen. Ik schreef over de dromen die nog vers in mijn geheugen lagen, dingen die me waren opgevallen, niet eens zozeer over zaken die me dwarszaten, meer momenten waar ik bij stil wilde staan. Ik ging er met mezelf over in gesprek. Zo ontstond er een soort dagboek in de vorm van een inner dialogue. Wel een weergave die niet veel met de werkelijkheid vandoen heeft, maar misschien is dat juist wel hét kenmerk van een dagboek.

 

Andere (adem)modus

Een voorwaarde is dat je met de hand schrijft. En dat maakt dat je niet alleen langzamer gaat schrijven,  je vertraagt, je ademhaling past zich aan. Je komt in een andere modus, je gedachtestroom verdunt, er komen gewoon minder gedachten door. Je focust je op datgene waar je mee bezig bent: je schrijft. En dat leidt ook tot beter formuleren (type ik nu op mijn pc in).

Ik hield het een poos vol tot ik mezelf er op een gegeven moment op betrapte dat ik het gewoon niet meer deed. Ook goed. Zo gaat dat met dingen die heilzaam zijn, een tijdlang hebben ze een functie en dan is het weer oké.

Over het verband tussen schrijven en ademen valt nog veel meer te zeggen. Het mooiste daarover vond ik in een biografie over een Russische schrijver. Daarover meer in een volgende blog.