Category

Blog

Zit, loop, poets en schrijf – gedachtes over meditatie, schrijven en een Russische dissidente dichter.

By | Blog | One Comment

In 1998 verbleef ik in het gastenverblijf De Slangenburg in Doetinchem en maakte per abuis kennis met zenmeditatie. In de nabijgelegen Sint Willibrordsabdij bleek een plek vrij te zijn gekomen in de groep die er een meditatieretraite volgde. De zenmeester was Ton Lathouwers. Hij instrueerde me hoe te zitten voor zazen (zitmeditatie) en hoe te lopen bij kinhin (loopmeditatie), met aandacht en met inzet van de ademhaling. Verder geen uitleg, louter ervaren. Wat mij aantrok was de eenvoud. Er gebeurde niets speciaals daar in het stiltecentrum. Toch bleef ik thuis mediteren, ’s avonds een kwartiertje, nadat ik mijn (toen nog jonge) kinderen naar bed had gebracht. Het was alsof ik me oplaadde om daarna met mijn schrijven aan de slag te gaan. Meditatie hielp me te focussen, minder te piekeren en zo ontstond er ruimte in mijn overvolle brein. Ik besloot vaker in retraite te gaan.  Ik ging om alleen te zijn, om de stilte en stiekem ook om in mijn hoofd de plot voor een verhaal uit te denken, maar dat bleek niet de bedoeling. Niet lang daarna verscheen mijn eerste fictieboek.

 

Kleurrijk en onmogelijk

Aan deze periode dacht ik terug toen ik onlangs voor een artikel het verband tussen adem en schrijven verder wilde uitdiepen en een fragment tegenkwam waarin dit haarfijn wordt weergegeven. Ik las het in  Limonov van Emmanuel Carrère, een biografie over de avantgardistische ‘enfant terrible’ van de Russische literatuur.

De dissidente dichter Edward Limonov (1943), is een zowel onmogelijk als kleurrijk figuur. Hij werd in 1974 de Sovjet-Unie uitgezet, belandde in New York waar hij aan de zelfkant van de samenleving leefde, maakte furore met opruiende romans als Ik ben het Eddy en De Russische dichter houdt van grote negers, woonde als linkse intellectueel in Parijs, streed mee met de ultrarechtse huurlegers in de Servisch-Kroatische oorlog en keerde terug naar Rusland waar hij zich aansloot bij de oppositie tegen het regime van Poetin. Maar Poetin is niet gediend van oppositie en Limonov belandde in een streng bewaakte gevangenis.

 

Dromen is geen meditatie

Hier leerde Limonov, te midden van zware criminelen, mediteren van pasja Ribki. Deze pasja was een ‘kolos met een kaalgeschoren knikker’ die er op zijn dertigste al tien jaar gevangenis op had zitten. Hij at geen vlees, dronk heet water in plaats van thee ‘en deed indrukwekkende yogaoefeningen,’ zo schrijft Carrère. ‘Aanvankelijk gaat Limonov met gesloten ogen in lotushouding op zijn brits zitten, maar zodra hij de techniek onder de knie heeft, merkt hij dat hij overal kan mediteren, in alle discretie (…) onder de ochtendlijke vloeken van de begeleiders leert Edward zich in zichzelf terug te trekken en het gebied te bereiken waar hij buiten bereik is, rust vindt.’

Hij werd overgeplaatst naar een werkkamp waar het credo luidde: werken om te werken. Limonov voerde zijn taken, absurde schoonmaakklussen, met akelige precisie uit. Uren achtereen poetste hij wc-potten tot ze glansden als nooit te voren. Hij merkte dat hij bij het uitvoeren van deze monotone, repetitieve taken vanzelf begon te dromen. Carrère: ‘De pasja had hem hiertegen gewaarschuwd: dromen is exact het tegengestelde van mediteren. Het is een geestelijke ruis waarvan de meeste mensen zich niet eens bewust zijn, ook al gaat het om de ergste vorm van energie- en tijdverlies. Om eraan te ontsnappen telt Edward zijn ademhalingen, rekt ze, concentreert zich op de weg die lucht aflegt van zijn neusgaten tot zijn onderbuik en terug, of hij zegt gedichten op die hij uit het hoofd kent en focust zijn aandacht op elk vers, of –en dat gebeurt het vaakst – hij schrijft. In zijn hoofd natuurlijk, zoals Solzjenitsyn dat vijftig jaar eerder heeft gedaan: hij voltooit zin na zin, paragraaf na paragraaf, hoofdstuk na hoofdstuk, leert alles gestaag van buiten en verbetert zo dagelijks de prestaties van een sowieso al indrukwekkende harde schijf.’

 

Oproep!

Limonov gebruikt meditatie om te schrijven, om zijn geheugen te trainen zodat hij de zinnen en de woorden waarmee hij de verhalen van zijn medegevangenen in wilde weergeven, wist vast te houden. Beter kun je bijna niet verwoorden hoe ademhaling/meditatie en schrijven op elkaar inwerken. Ik ben op zoek naar scenes van of over andere schrijvers over de wisselwerking tussen meditatie en schrijven. Dus bij deze doe ik eens een oproep: gezocht scenes over ademen/meditatie en schrijven!

 

 

 

 

 

 

 

 

Een ochtendritueel – Ademen en schrijven 1

By | Blog | 2 Comments

Jarenlang schreef ik voor de boekenbijlage van dagblad Trouw. Het was nog in de tijd vóór internet, dat je je artikelen uitknipte en keurig bewaarde in een map. Mijn zwager die in het buitenland woonde, wilde een keer toen hij op bezoek was, lezen wat ik zoal had geschreven. Ik gaf hem de map en hij las al mijn recensies achter elkaar. Het viel hem op dat ik een artikel vaak met een citaat begon. Niets mis mee op zich en ik wist dat een citaat vaak een prima manier is om mee van start te gaan, maar toch voelde ik me betrapt, alsof ik een kunstje uithaalde, alsof ik niet creatief met mijn teksten omging.

Als schrijver/journalist kun je er beter voor waken dat je niet te veel gewend gaat raken aan het stramien waarin je schrijft. Alsof je jezelf bij elke tekst weer een beetje opnieuw uitvindt, elke tekst een nieuwe uitdaging voor je creativiteit is. Je stijl mag herkenbaar zijn, graag zelfs, maar schrijven moet nooit voorspelbaar worden. Dan roest je vast.

 

Ochtendpagina’s                                                                                                                                              

Nu overkomt dit iedereen weleens. Mij ook recent nog, zoals ik in eerdere blogs al aangaf (http://christeljansen.nl/2018/01/15/hoe-het-bizarre-verhaal-van-mijn-hoofdpersoon-me-naar-mezelf-leidde/ en  http://christeljansen.nl/2018/05/12/inspiratie-is-geen-goddelijke-bron-schrijfplezier-wel/). Ik sloeg daarom The Artist’s Way van Julia Cameron maar weer eens open. Een jaloersmakende bestseller, hordes mensen lopen met de methode Cameron weg. Ik ben eerlijk gezegd nooit verder gekomen dan de morning pages, want het is voor mij een te Amerikaans,  juichend boek. De bedoeling van deze ochtendpagina’s is dat je elke dag meteen na het opstaan drie bladzijden vol pent, ongestructureerd, uit de losse pols. Het zou je helpen om weer los te komen, je geest te legen en ruimte te maken voor creativiteit.

Ik schoof mijn weerstand opzij en ging aan de slag. Ik merkte dat het prettig is om te schrijven alleen om het schrijven. Het begon zelfs mijn meditatie te vervangen. Ik schreef over de dromen die nog vers in mijn geheugen lagen, dingen die me waren opgevallen, niet eens zozeer over zaken die me dwarszaten, meer momenten waar ik bij stil wilde staan. Ik ging er met mezelf over in gesprek. Zo ontstond er een soort dagboek in de vorm van een inner dialogue. Wel een weergave die niet veel met de werkelijkheid vandoen heeft, maar misschien is dat juist wel hét kenmerk van een dagboek.

 

Andere (adem)modus

Een voorwaarde is dat je met de hand schrijft. En dat maakt dat je niet alleen langzamer gaat schrijven,  je vertraagt, je ademhaling past zich aan. Je komt in een andere modus, je gedachtestroom verdunt, er komen gewoon minder gedachten door. Je focust je op datgene waar je mee bezig bent: je schrijft. En dat leidt ook tot beter formuleren (type ik nu op mijn pc in).

Ik hield het een poos vol tot ik mezelf er op een gegeven moment op betrapte dat ik het gewoon niet meer deed. Ook goed. Zo gaat dat met dingen die heilzaam zijn, een tijdlang hebben ze een functie en dan is het weer oké.

Over het verband tussen schrijven en ademen valt nog veel meer te zeggen. Het mooiste daarover vond ik in een biografie over een Russische schrijver. Daarover meer in een volgende blog.

 

Hoe een bos bloemen en verse pens mij weer lol in het schrijven gaven

By | Blog | 4 Comments

Als je over jezelf gaat schrijven kun je herinneringen bijeengaren en aan elkaar plakken, je ontdekt lijnen die je eerst niet zag en speelt met je leven. Hoe leuk kan zoiets zijn. Tegelijkertijd  besef je dat je op sommige vragen nooit echt een antwoord zult krijgen.

Zo heb ik bijvoorbeeld nooit begrepen waarom ik mijn moeder op mijn vierde niet eerlijk heb gezegd dat ik niets rook toen ze een bos bloemen onder mijn neus hield.

Het was niet lang nadat mijn amandelen waren geknipt. Een periode van oneindig veel ijsjes eten, waarin ik in het grote bed van mijn ouders mocht liggen tussen alle cadeautjes die ik van de buren uit de portiek had gekregen.

‘Ruik eens hoe lekker,’ zei mijn moeder. De rozen waren lichtroze, mijn lievelingskleur in die tijd.

Ik snoof, inhaleerde diep, maar rook  niets.

‘Lekker,’ zei ik om mijn moeder niet teleur te stellen.

Pas acht jaar later vertelde ik het aan mijn ouders.

 

 

Mijn bekentenis

Aan de voetstappen van mijn vader hoorde ik dat er iets mis was. Zonder kloppen viel hij mijn kamer binnen.

‘Heb jij die ketel op gezet?‘

‘Is er dan wat?’

‘Weet je wel dat we er bijna waren geweest?’ De vlam was uitgewaaid. Hij had net een sigaret willen opsteken, toen hij de geur van gas opsnoof die vanonder de keukendeur opsteeg.

‘U moet ook niet roken.’

Hij keek me aan, nam een haal en zei: ‘Ik zie dat je het niet expres hebt gedaan. Voortaan wel beter opletten jij. Ze hebben niet voor niets een geurtje aan het gas toegevoegd.’

Hij hield de deurklink al in zijn handen toen ik zei: ‘Ik kan niet ruiken.’

Hij draaide zich abrupt om.

‘Wat is dit voor onzin?’

 

‘Ik kan niet ruiken,’ herhaalde ik even later in de huiskamer, waar mijn moeder bij was.

Ze zaten naast elkaar op de bank, mijn ouders. Normaal  leunde mijn moeder tegen mijn vader aan of sloeg hij zijn arm om haar heen, nu niet. Ze zaten stijf rechtop naast elkaar en zwegen. Ze wisten niet of ik hun voorloog of niet.

Ik wist niet wat ik met de stilte aan moest. Eens moest ik toch zeggen dat ik, net als mijn dove broertje David, een dood zintuig had. Ik kon mijn tong wel afbijten. Wat zou het dat ze het wisten?

‘Proef je wel wat?’ vroeg mijn vader.

‘Ik proef heus wel als de melk bedorven is.’

Dat was trouwens niet waar, ik voelde het doordat de brokken tegen mijn gehemelte bleven kleven.

‘Vervelend voor je,’ zei mijn moeder.

 

 

De lakmoesproef

Mijn vader besloot me met een test op de proef te stellen. Een paar dagen later kwam hij thuis met verse pens.

‘Voor de hond van de buren,’ zei hij tegen mijn moeder die hem verbaasd aankeek. Ze wist dat mijn vader niet veel op had met huisdieren, al vond hij de Keeshond van de buren, die ook nog eens Keesje heette, best oké.

David kneep zijn neus dicht toen mijn vader vroeg of ik het vlees naar de buren wilde brengen.

Ik veronderstelde dat iemand een scheet had gelaten, want ook dan trok Daaf een gekke bek.

Mijn buurmeisje vroeg of ik die troep voortaan thuis wilde laten toen ik het bakje van Keesje vulde. Die was in zijn element.

‘Hoezo?’ vroeg ik aan mijn buurmeisje.

‘Verse pens, trut, dat stinkt erger dan stront, het is gewoon crimineel.’

 

Zonder dat ik het doorhad was ik cum laude geslaagd voor de test. Mijn ouders waren er nu definitief van overtuigd dat ik niet kon ruiken.

Daarmee was de zaak afgedaan.

 

 

 

Inspiratie is geen goddelijke bron, schrijfplezier wel.

By | Blog | No Comments

Als inspiratie niet vanzelf komt, moet je het afdwingen. Of in de woorden van de Amerikaanse componist en dirigent Leonard Bernstein: ‘Inspiration is wonderful when it happens, but the writer must develop an approach for the rest of the time… The wait is simply too long.’

Toch leeft nog het ingesleten denkbeeld dat inspiratie een goddelijke bron is, een inval, een muze, een bliksemschicht, iets wat je overkomt.

Ik geloofde dus niet echt in goddelijke inspiratie, maar ook niet in een writer’sblock. Onzin. Schrijven is gewoon werken, herschrijven, doorgaan.

Tot ik zelf vastliep.

Een dierbare vriendin zei me naar een helderziende te gaan.

 

Verloren identiteit

Ik was al eens eerder bij Yvonne Bartels http://www.yvonnebartels.nl geweest. Die had me gemasseerd en al knedend op mijn vastzittende schouder, vertelde ze me dat ze een lange man voor zich zag met een bos wit haar (zou mijn vader kunnen zijn), een Ford (voor dat bedrijf heeft mijn vader zijn leven lang gewerkt) en de oorlog (de vader van mijn vader sneuvelde op 10 mei 1940). Ze zei nog wat steekwoorden en wist daarmee mijn vader (al 36 jaar dood) heel raak te typeren.

Bij mijn tweede bezoek aan Yvonne deden we in plaats van massage een systeemopstelling (variant op familieopstellingen). Ik vertelde haar dat er nog  nooit zoveel jaar tussen de publicatie van twee boeken had gezeten, dat ik het gevoel had mijn identiteit kwijt te zijn en dat ik had gefaald in dit project (zie eerdere blogs). Maar tegelijkertijd zei ik haar dat dit boek zou er komen. Al is het alleen  al omdat ‘een moeder-die-niet–kan-moederen’ nog steeds zo’n groot taboe is. En om te laten zien hoe diepgravend de effecten daarvan op de kinderen zijn.

We stelden onder andere het boek op. Wederom vertelde Yvonne me dingen die ze niet kon weten, maar die zo goed aansloten bij wat ikzelf had onderzocht. Nee, ik verklap nog even niet wát, later misschien wel, als ik verder ben.

 

Weer lol in het schrijven

Ze gaf me het advies mee om fictie van het manuscript te maken, omdat ik alleen zo tot de essentie van de moeder kon doordringen. Zelf heb ik dat ook al meermalen overwogen.

Ze bevestigde waar ik zelf mee bezig was, maar doordat zij het uitsprak, was het alsof ik het nu kon loslaten. Ja, dit boek drukte op me. En ja, het klopt dat ik het plezier in het schrijven was verloren.

Yvonne liet me inzien dat ik eerst weer dit plezier terug moest zien te vinden, en dan pas verder kon met het boek.

Dus dacht ik: als je de verhalen van anderen optekent, wordt het dan geen tijd  om te zien hoe het werkt als je jouw eigen verhaal opschrijft. Dus begon ik de gebeurtenissen uit mijn leven op een hoop te gooien, te kneden en op wonderlijke wijze in elkaar te knopen. Ik kreeg er lol in. Niets zo vermakelijk – en confronterend, dat ook – dan je leven opnieuw vorm te geven.

Volgende blog lees je hoe ik dat heb gedaan.

 

Meer blogs ontvangen? Meld je dan aan: http://christeljansen.nl/newsletter/

 

 

Niemand vindt zichzelf slecht, dus ook mijn hoofdpersoon niet

By | Blog | No Comments

 Schrijven als oefening in compassie

 

 

Mensen vragen me met enige regelmaat meer te vertellen over mijn worstelingen met het schrijven.

Laat ik een poging wagen, want zo kan ik zelf ook ontdekken wat me dwarszit in de tragische familiegeschiedenis die ik aan het uitpluizen ben en waar ik steeds in vastloop.

Ik startte zoals elke biograaf. Begon met het interviewen van de hoofdpersonen, mensen in de eerste, tweede, derde kring er omheen.

Ik kwam steeds meer over het leven van de kinderen van de moeder- die–geen–moeder kon zijn te weten. En dat maakte dat ik weerzin ontwikkelde tegen haar, de hoofdpersoon. Dat bleek funest. Een schrijver behoort boven de partijen te staan en moet zich in elk personage kunnen inleven.

Een collega geeft me de tip om deze niet-moeder te beschrijven als de antagonist, de tegenspeler.

Ik weet niet waar te beginnen.

 

David Grossman, de gelauwerde Israëlische auteur, schrijft in het indringende essay De ander van binnenuit kennen, dat je ernaar moet streven om ‘de kern te bereiken van de ander als ander, en daar de ander te ervaren als iemand die zelfstandig en onafhankelijk bestaat, als iemand die een hele wereld is met een eigen innerlijke geldigheid en een eigen innerlijke logica.’

Grossman heeft het over een helder besef krijgen van de ander, het principe van de ander.

 

Fall in love with the bad ones

Een paar jaar geleden volgde ik een vierdaags seminar van de Amerikaanse fameuze scriptdokter Robert McKee.

Daaruit is me onder andere de volgende quote bijgebleven: ‘It is essential to fall in love with all your characters, especially the bad ones.’

Zijn oplossing: voel je weerzin naar een personage, vraag je dan af: wat zou ik in zijn of haar plaats doen? Bedenk dan dat je alles doet om je uit de situatie te redden. Niemand wil als een ellendeling overkomen. ‘No one thinks he is bad.’

 

 

Boeddha logica

In feite zegt McKee dat je mededogen moet hebben. En dat brengt me bij een Boeddhistische oefening in compassie die ik ooit tijdens een retraite leerde.

Een meditatie oefening:

–  Eerst ga je compassie voelen voor iemand die je graag mag (makkie).

–  Dan voor een neutraal persoon , een onbekende: een voorbijganger, de kassière bij Albert Heijn, de man die met zijn wandelstok de straat oversteekt. Je haalt je die persoon voor de geest en visualiseert dat het hem of haar goed gaat (ook niet ingewikkeld).

–  Pas nu komt de echte oefening: je neemt een persoon voor ogen die je tegenstaat, of die je zelfs haat. Bedenk dan eerst waar je zelf in je leven gebreke bent gebleven, zo oefen je in nederigheid. Neem dan weer die nare persoon voor ogen, stel hem/haar voor als kind. Want is het niet zo dat ook de meest wrede heersers ooit onschuldige kinderen waren? Visualiseer vervolgens hoe die persoon was als kind. Soms komt er dan een beeld boven, waardoor je bepaalde handelingen of karaktertrekken kunt begrijpen.

Binnen het boeddhisme oefen je zo mededogen: uiteindelijk gun je ook een slechterik een wedergeboorte in de hemel.

 

Innerlijke logica

Als schrijver ga ik op zoek naar de prille jeugd van de anti-held, en dan vooral naar het moment waarop ze haar onschuld verloor en haar leven volgens haar innerlijke logica begon vorm te geven.

 

Meer blogs ontvangen? Meld je dan aan: http://christeljansen.nl/newsletter/

 

 

 

 

 

Elena Ferrante deel IV of over het rijpen van een tekst

By | Blog | No Comments

Even terug naar mijn eerste blog. Ik zag niet meer hoe ik mijn tekst nieuw leven kon inblazen. Moest ik het vanuit een heel ander perspectief proberen? Moest ik het een poos laten liggen? Of even iets heel anders doen? Of zou ik terugkeren naar mijn oude liefde, jeugdboeken? Ik heb nog wat verhalen liggen. Een ervan De Olifantjongen, speelt in India en gaat over een tweeling die niet van elkaars bestaan weet. Ik zie een kleurrijke jeugdfilm voor me, maar de plot krijg ik niet rond.

Sommige auteurs werken tien jaar of langer aan een boek. Ik nog maar een jaar of vier, dus waar gaat het over?

Het punt is: het voelt gênant, mensen vragen hoever je bent en je kunt niets zeggen. Geen verschijningsdatum, geen noemenswaardige voortgang. Ik schaam me als ik een collega trots hoor vertellen dat haar nieuwe boek eraan komt. Het is al haar derde boek in de vier jaar dat er niets van mijn hand is verschenen. Het schuurt en het levert geen cent op ook. Wil ik wel zo verder?

 

Oude wijn

‘Ellena Ferrante deel IV,’ appt een vriendin.

Ferrante die in dit deel Het verhaal van het verloren kind al een paar succesvolle boeken op haar naam heeft staan, krijgt geen fatsoenlijke zin meer op papier. Haar redacteur belt haar met de vraag hoever ze is met het nieuwe boek waar ze een riant voorschot voor heeft gehad.

‘Ik ben nog lang niet bij het einde,’ zegt ze hem.

‘Je zou me iets kunnen laten lezen.’

‘Daar voel ik me nog lang niet klaar voor.’

Het lukt haar niet. Uiteindelijk als de deadline nadert en de telefoontjes van de redacteur dwingender worden, besluit ze hem een oud manuscript te sturen. Ze verandert er niets aan. En tot haar verrassing is de redacteur lovend.

Daarna begint het weer te stromen.

 

Soms is creativiteit als een kurk die ervoor zorgt dat de wijn niet kan wegstromen. Als het een goede wijn is, rijpt die achter de kurk gewoon verder. Het is een mooi beeld waar ik me aan vastklamp. Mijn manuscript ligt nu te rijpen, en wie weet komt dat jeugdboek er in een of andere vorm ook.

 

Meer blogs ontvangen? Meld je dan aan: http://christeljansen.nl/newsletter/

Mijn eerste dood

By | Blog | No Comments

 

Mijn moeder vreesde mijn voortijdige dood. Mijn gezicht was blauw aangelopen, mijn ogen waren weggedraaid en mijn ledematen hingen erbij alsof ik een lappenpop was. Wat was er met dit kind? Had het een extreem lage bloeddruk, een mysterieuze ziekte onder de leden, waren het epileptische aanvallen?

‘Negeren,’ zei de huisarts. ‘Ze wil aandacht.’

Enkele weken later kreeg ik weer zo’n aanval in het huis van mijn oma. Mijn moeder was er ditmaal niet bij. Mijn vader handelde snel toen ik het op een krijsen zette en even later ineenzakte op het Perzisch tapijt, pal voor de voeten van mijn oma. Zij bukte om me op te tillen, maar mijn vader was haar voor. Hij nam me in zijn armen, legde me in de keuken, trok de deur dicht en bleef er voor staan. Als een Duitse herder waakte hij over de plek waar zijn dochter lag te sterven. Hij liet niemand toe, en zeker niet zijn schoonmoeder.

 

Je leven fantaseren

Het leek me een mooi begin van een autobiografische roman. Daar kon ik dan op doorborduren en verzinnen wat er met mij gebeurde in die keuken van mijn oma. Dat ik op het aanrecht klom om met het gasbrandertje te spelen en nog een keer viel. Nu echt en dat mijn vader zich  rot schrok.  Door te schrijven en mijn fantasie te laten stromen, kon ik mijn leven een eigen wending geven. Ik had ook een variant waarin ik van mijn vader een gruwelijke boeman maakte, die me daar uren liet liggen op het koude graniet. Terwijl ik dit schreef was het alsof ik van een afstandje naar mezelf keek, als een personage dat ik naar eigen goeddunken kon kneden en vormgeven. Het gaf me een lekker gevoel van lichtheid en ik begreep hoe zinvol het kan zijn om zo in te grijpen in je eigen levensverhaal. Je kunt dingen een plek geven en achter je laten. Dit is nu niet een heel dramatisch voorval -want ik zou heus niet doodgaan-, al vond ik het beeld van een klein kind eenzaam op een koude keukenvloer zo naar.

 

Blue spell

In werkelijkheid heb ik geen idee wat er is gebeurd, het is van voor de tijd van mijn bewuste herinneringen. Wat was de reden van mijn extreme fysieke reactie?

Breath holding spells, zo ontdekte ik, heet deze reactie. Jonge kinderen houden hun adem in, lopen blauw aan en vallen flauw. Het wordt ook wel de blue spell genoemd. Het schijnt dat één op de twintig kinderen in de leeftijd tussen zes maanden en vijf jaar dit ervaart. Het is zonder gevaar, want het kind gaat automatisch weer ademen. Soms is er een duidelijke aanleiding (pijn) soms niet, maar kan er woede en frustratie aan ten grondslag liggen. Een van mijn tantes zei dat ik van die felle donkere ogen had als pasgeborene. Misschien had ik gewoon te veel temperament. Of, zoals sommigen van mijn yogavrienden zouden zeggen, misschien had ik nog wat ‘verkeerd’ karma uit een vorig leven meegenomen.

 

White spell

Ruim dertig jaar later hield ik zelf een kleuter in mijn armen die flauwviel. Mijn dochter had het ook, maar dan de ‘white spell’, omdat zij wit wegtrok. Zij viel geregeld flauw, meestal na een heftige pijnsensatie (bij oorontsteking of als ze van de fiets viel). De spell kan namelijk erfelijk zijn. Het is een beetje alsof je je kind ziet sterven, als ze zo slap in je armen hangt.

Gebeurt het vaker, dan herken je de reactie en weet je dat je er alleen maar hoeft te zijn om haar op te vangen. Ik hield haar wel vast. Bij mijn dochter ging het uiteindelijk over. Bij mij is het, volgens mijn ouders althans, na die ‘strijd’ bij mijn oma nooit meer voor gekomen.

 

Meer blogs ontvangen? Meld je dan aan: http://christeljansen.nl/newsletter/

Mijn omkeerjaar

By | Blog | No Comments

In mijn vorige blog, vroeg ik me af of mijn mening er wel toe doet. Een collega reageerde hierop met de opmerking dat een ‘schrijver zich geen valse bescheidenheid kan permitteren.’ Het zette mij aan het denken. Ik opereer het liefst in de luwte, maar heb mij in 2018 (zie vorige blog) voorgenomen meer van mezelf te laten horen.

Read More