Category

Blog

Hoe een bos bloemen en verse pens mij weer lol in het schrijven gaven

By | Blog | 4 Comments

Als je over jezelf gaat schrijven kun je herinneringen bijeengaren en aan elkaar plakken, je ontdekt lijnen die je eerst niet zag en speelt met je leven. Hoe leuk kan zoiets zijn. Tegelijkertijd  besef je dat je op sommige vragen nooit echt een antwoord zult krijgen.

Zo heb ik bijvoorbeeld nooit begrepen waarom ik mijn moeder op mijn vierde niet eerlijk heb gezegd dat ik niets rook toen ze een bos bloemen onder mijn neus hield.

Het was niet lang nadat mijn amandelen waren geknipt. Een periode van oneindig veel ijsjes eten, waarin ik in het grote bed van mijn ouders mocht liggen tussen alle cadeautjes die ik van de buren uit de portiek had gekregen.

‘Ruik eens hoe lekker,’ zei mijn moeder. De rozen waren lichtroze, mijn lievelingskleur in die tijd.

Ik snoof, inhaleerde diep, maar rook  niets.

‘Lekker,’ zei ik om mijn moeder niet teleur te stellen.

Pas acht jaar later vertelde ik het aan mijn ouders.

 

 

Mijn bekentenis

Aan de voetstappen van mijn vader hoorde ik dat er iets mis was. Zonder kloppen viel hij mijn kamer binnen.

‘Heb jij die ketel op gezet?‘

‘Is er dan wat?’

‘Weet je wel dat we er bijna waren geweest?’ De vlam was uitgewaaid. Hij had net een sigaret willen opsteken, toen hij de geur van gas opsnoof die vanonder de keukendeur opsteeg.

‘U moet ook niet roken.’

Hij keek me aan, nam een haal en zei: ‘Ik zie dat je het niet expres hebt gedaan. Voortaan wel beter opletten jij. Ze hebben niet voor niets een geurtje aan het gas toegevoegd.’

Hij hield de deurklink al in zijn handen toen ik zei: ‘Ik kan niet ruiken.’

Hij draaide zich abrupt om.

‘Wat is dit voor onzin?’

 

‘Ik kan niet ruiken,’ herhaalde ik even later in de huiskamer, waar mijn moeder bij was.

Ze zaten naast elkaar op de bank, mijn ouders. Normaal  leunde mijn moeder tegen mijn vader aan of sloeg hij zijn arm om haar heen, nu niet. Ze zaten stijf rechtop naast elkaar en zwegen. Ze wisten niet of ik hun voorloog of niet.

Ik wist niet wat ik met de stilte aan moest. Eens moest ik toch zeggen dat ik, net als mijn dove broertje David, een dood zintuig had. Ik kon mijn tong wel afbijten. Wat zou het dat ze het wisten?

‘Proef je wel wat?’ vroeg mijn vader.

‘Ik proef heus wel als de melk bedorven is.’

Dat was trouwens niet waar, ik voelde het doordat de brokken tegen mijn gehemelte bleven kleven.

‘Vervelend voor je,’ zei mijn moeder.

 

 

De lakmoesproef

Mijn vader besloot me met een test op de proef te stellen. Een paar dagen later kwam hij thuis met verse pens.

‘Voor de hond van de buren,’ zei hij tegen mijn moeder die hem verbaasd aankeek. Ze wist dat mijn vader niet veel op had met huisdieren, al vond hij de Keeshond van de buren, die ook nog eens Keesje heette, best oké.

David kneep zijn neus dicht toen mijn vader vroeg of ik het vlees naar de buren wilde brengen.

Ik veronderstelde dat iemand een scheet had gelaten, want ook dan trok Daaf een gekke bek.

Mijn buurmeisje vroeg of ik die troep voortaan thuis wilde laten toen ik het bakje van Keesje vulde. Die was in zijn element.

‘Hoezo?’ vroeg ik aan mijn buurmeisje.

‘Verse pens, trut, dat stinkt erger dan stront, het is gewoon crimineel.’

 

Zonder dat ik het doorhad was ik cum laude geslaagd voor de test. Mijn ouders waren er nu definitief van overtuigd dat ik niet kon ruiken.

Daarmee was de zaak afgedaan.

 

 

 

Inspiratie is geen goddelijke bron, schrijfplezier wel.

By | Blog | No Comments

Als inspiratie niet vanzelf komt, moet je het afdwingen. Of in de woorden van de Amerikaanse componist en dirigent Leonard Bernstein: ‘Inspiration is wonderful when it happens, but the writer must develop an approach for the rest of the time… The wait is simply too long.’

Toch leeft nog het ingesleten denkbeeld dat inspiratie een goddelijke bron is, een inval, een muze, een bliksemschicht, iets wat je overkomt.

Ik geloofde dus niet echt in goddelijke inspiratie, maar ook niet in een writer’sblock. Onzin. Schrijven is gewoon werken, herschrijven, doorgaan.

Tot ik zelf vastliep.

Een dierbare vriendin zei me naar een helderziende te gaan.

 

Verloren identiteit

Ik was al eens eerder bij Yvonne Bartels http://www.yvonnebartels.nl geweest. Die had me gemasseerd en al knedend op mijn vastzittende schouder, vertelde ze me dat ze een lange man voor zich zag met een bos wit haar (zou mijn vader kunnen zijn), een Ford (voor dat bedrijf heeft mijn vader zijn leven lang gewerkt) en de oorlog (de vader van mijn vader sneuvelde op 10 mei 1940). Ze zei nog wat steekwoorden en wist daarmee mijn vader (al 36 jaar dood) heel raak te typeren.

Bij mijn tweede bezoek aan Yvonne deden we in plaats van massage een systeemopstelling (variant op familieopstellingen). Ik vertelde haar dat er nog  nooit zoveel jaar tussen de publicatie van twee boeken had gezeten, dat ik het gevoel had mijn identiteit kwijt te zijn en dat ik had gefaald in dit project (zie eerdere blogs). Maar tegelijkertijd zei ik haar dat dit boek zou er komen. Al is het alleen  al omdat ‘een moeder-die-niet–kan-moederen’ nog steeds zo’n groot taboe is. En om te laten zien hoe diepgravend de effecten daarvan op de kinderen zijn.

We stelden onder andere het boek op. Wederom vertelde Yvonne me dingen die ze niet kon weten, maar die zo goed aansloten bij wat ikzelf had onderzocht. Nee, ik verklap nog even niet wát, later misschien wel, als ik verder ben.

 

Weer lol in het schrijven

Ze gaf me het advies mee om fictie van het manuscript te maken, omdat ik alleen zo tot de essentie van de moeder kon doordringen. Zelf heb ik dat ook al meermalen overwogen.

Ze bevestigde waar ik zelf mee bezig was, maar doordat zij het uitsprak, was het alsof ik het nu kon loslaten. Ja, dit boek drukte op me. En ja, het klopt dat ik het plezier in het schrijven was verloren.

Yvonne liet me inzien dat ik eerst weer dit plezier terug moest zien te vinden, en dan pas verder kon met het boek.

Dus dacht ik: als je de verhalen van anderen optekent, wordt het dan geen tijd  om te zien hoe het werkt als je jouw eigen verhaal opschrijft. Dus begon ik de gebeurtenissen uit mijn leven op een hoop te gooien, te kneden en op wonderlijke wijze in elkaar te knopen. Ik kreeg er lol in. Niets zo vermakelijk – en confronterend, dat ook – dan je leven opnieuw vorm te geven.

Volgende blog lees je hoe ik dat heb gedaan.

 

Meer blogs ontvangen? Meld je dan aan: http://christeljansen.nl/newsletter/

 

 

Niemand vindt zichzelf slecht, dus ook mijn hoofdpersoon niet

By | Blog | No Comments

 Schrijven als oefening in compassie

 

 

Mensen vragen me met enige regelmaat meer te vertellen over mijn worstelingen met het schrijven.

Laat ik een poging wagen, want zo kan ik zelf ook ontdekken wat me dwarszit in de tragische familiegeschiedenis die ik aan het uitpluizen ben en waar ik steeds in vastloop.

Ik startte zoals elke biograaf. Begon met het interviewen van de hoofdpersonen, mensen in de eerste, tweede, derde kring er omheen.

Ik kwam steeds meer over het leven van de kinderen van de moeder- die–geen–moeder kon zijn te weten. En dat maakte dat ik weerzin ontwikkelde tegen haar, de hoofdpersoon. Dat bleek funest. Een schrijver behoort boven de partijen te staan en moet zich in elk personage kunnen inleven.

Een collega geeft me de tip om deze niet-moeder te beschrijven als de antagonist, de tegenspeler.

Ik weet niet waar te beginnen.

 

David Grossman, de gelauwerde Israëlische auteur, schrijft in het indringende essay De ander van binnenuit kennen, dat je ernaar moet streven om ‘de kern te bereiken van de ander als ander, en daar de ander te ervaren als iemand die zelfstandig en onafhankelijk bestaat, als iemand die een hele wereld is met een eigen innerlijke geldigheid en een eigen innerlijke logica.’

Grossman heeft het over een helder besef krijgen van de ander, het principe van de ander.

 

Fall in love with the bad ones

Een paar jaar geleden volgde ik een vierdaags seminar van de Amerikaanse fameuze scriptdokter Robert McKee.

Daaruit is me onder andere de volgende quote bijgebleven: ‘It is essential to fall in love with all your characters, especially the bad ones.’

Zijn oplossing: voel je weerzin naar een personage, vraag je dan af: wat zou ik in zijn of haar plaats doen? Bedenk dan dat je alles doet om je uit de situatie te redden. Niemand wil als een ellendeling overkomen. ‘No one thinks he is bad.’

 

 

Boeddha logica

In feite zegt McKee dat je mededogen moet hebben. En dat brengt me bij een Boeddhistische oefening in compassie die ik ooit tijdens een retraite leerde.

Een meditatie oefening:

–  Eerst ga je compassie voelen voor iemand die je graag mag (makkie).

–  Dan voor een neutraal persoon , een onbekende: een voorbijganger, de kassière bij Albert Heijn, de man die met zijn wandelstok de straat oversteekt. Je haalt je die persoon voor de geest en visualiseert dat het hem of haar goed gaat (ook niet ingewikkeld).

–  Pas nu komt de echte oefening: je neemt een persoon voor ogen die je tegenstaat, of die je zelfs haat. Bedenk dan eerst waar je zelf in je leven gebreke bent gebleven, zo oefen je in nederigheid. Neem dan weer die nare persoon voor ogen, stel hem/haar voor als kind. Want is het niet zo dat ook de meest wrede heersers ooit onschuldige kinderen waren? Visualiseer vervolgens hoe die persoon was als kind. Soms komt er dan een beeld boven, waardoor je bepaalde handelingen of karaktertrekken kunt begrijpen.

Binnen het boeddhisme oefen je zo mededogen: uiteindelijk gun je ook een slechterik een wedergeboorte in de hemel.

 

Innerlijke logica

Als schrijver ga ik op zoek naar de prille jeugd van de anti-held, en dan vooral naar het moment waarop ze haar onschuld verloor en haar leven volgens haar innerlijke logica begon vorm te geven.

 

Meer blogs ontvangen? Meld je dan aan: http://christeljansen.nl/newsletter/

 

 

 

 

 

Elena Ferrante deel IV of over het rijpen van een tekst

By | Blog | No Comments

Even terug naar mijn eerste blog. Ik zag niet meer hoe ik mijn tekst nieuw leven kon inblazen. Moest ik het vanuit een heel ander perspectief proberen? Moest ik het een poos laten liggen? Of even iets heel anders doen? Of zou ik terugkeren naar mijn oude liefde, jeugdboeken? Ik heb nog wat verhalen liggen. Een ervan De Olifantjongen, speelt in India en gaat over een tweeling die niet van elkaars bestaan weet. Ik zie een kleurrijke jeugdfilm voor me, maar de plot krijg ik niet rond.

Sommige auteurs werken tien jaar of langer aan een boek. Ik nog maar een jaar of vier, dus waar gaat het over?

Het punt is: het voelt gênant, mensen vragen hoever je bent en je kunt niets zeggen. Geen verschijningsdatum, geen noemenswaardige voortgang. Ik schaam me als ik een collega trots hoor vertellen dat haar nieuwe boek eraan komt. Het is al haar derde boek in de vier jaar dat er niets van mijn hand is verschenen. Het schuurt en het levert geen cent op ook. Wil ik wel zo verder?

 

Oude wijn

‘Ellena Ferrante deel IV,’ appt een vriendin.

Ferrante die in dit deel Het verhaal van het verloren kind al een paar succesvolle boeken op haar naam heeft staan, krijgt geen fatsoenlijke zin meer op papier. Haar redacteur belt haar met de vraag hoever ze is met het nieuwe boek waar ze een riant voorschot voor heeft gehad.

‘Ik ben nog lang niet bij het einde,’ zegt ze hem.

‘Je zou me iets kunnen laten lezen.’

‘Daar voel ik me nog lang niet klaar voor.’

Het lukt haar niet. Uiteindelijk als de deadline nadert en de telefoontjes van de redacteur dwingender worden, besluit ze hem een oud manuscript te sturen. Ze verandert er niets aan. En tot haar verrassing is de redacteur lovend.

Daarna begint het weer te stromen.

 

Soms is creativiteit als een kurk die ervoor zorgt dat de wijn niet kan wegstromen. Als het een goede wijn is, rijpt die achter de kurk gewoon verder. Het is een mooi beeld waar ik me aan vastklamp. Mijn manuscript ligt nu te rijpen, en wie weet komt dat jeugdboek er in een of andere vorm ook.

 

Meer blogs ontvangen? Meld je dan aan: http://christeljansen.nl/newsletter/

Mijn eerste dood

By | Blog | No Comments

 

Mijn moeder vreesde mijn voortijdige dood. Mijn gezicht was blauw aangelopen, mijn ogen waren weggedraaid en mijn ledematen hingen erbij alsof ik een lappenpop was. Wat was er met dit kind? Had het een extreem lage bloeddruk, een mysterieuze ziekte onder de leden, waren het epileptische aanvallen?

‘Negeren,’ zei de huisarts. ‘Ze wil aandacht.’

Enkele weken later kreeg ik weer zo’n aanval in het huis van mijn oma. Mijn moeder was er ditmaal niet bij. Mijn vader handelde snel toen ik het op een krijsen zette en even later ineenzakte op het Perzisch tapijt, pal voor de voeten van mijn oma. Zij bukte om me op te tillen, maar mijn vader was haar voor. Hij nam me in zijn armen, legde me in de keuken, trok de deur dicht en bleef er voor staan. Als een Duitse herder waakte hij over de plek waar zijn dochter lag te sterven. Hij liet niemand toe, en zeker niet zijn schoonmoeder.

 

Je leven fantaseren

Het leek me een mooi begin van een autobiografische roman. Daar kon ik dan op doorborduren en verzinnen wat er met mij gebeurde in die keuken van mijn oma. Dat ik op het aanrecht klom om met het gasbrandertje te spelen en nog een keer viel. Nu echt en dat mijn vader zich  rot schrok.  Door te schrijven en mijn fantasie te laten stromen, kon ik mijn leven een eigen wending geven. Ik had ook een variant waarin ik van mijn vader een gruwelijke boeman maakte, die me daar uren liet liggen op het koude graniet. Terwijl ik dit schreef was het alsof ik van een afstandje naar mezelf keek, als een personage dat ik naar eigen goeddunken kon kneden en vormgeven. Het gaf me een lekker gevoel van lichtheid en ik begreep hoe zinvol het kan zijn om zo in te grijpen in je eigen levensverhaal. Je kunt dingen een plek geven en achter je laten. Dit is nu niet een heel dramatisch voorval -want ik zou heus niet doodgaan-, al vond ik het beeld van een klein kind eenzaam op een koude keukenvloer zo naar.

 

Blue spell

In werkelijkheid heb ik geen idee wat er is gebeurd, het is van voor de tijd van mijn bewuste herinneringen. Wat was de reden van mijn extreme fysieke reactie?

Breath holding spells, zo ontdekte ik, heet deze reactie. Jonge kinderen houden hun adem in, lopen blauw aan en vallen flauw. Het wordt ook wel de blue spell genoemd. Het schijnt dat één op de twintig kinderen in de leeftijd tussen zes maanden en vijf jaar dit ervaart. Het is zonder gevaar, want het kind gaat automatisch weer ademen. Soms is er een duidelijke aanleiding (pijn) soms niet, maar kan er woede en frustratie aan ten grondslag liggen. Een van mijn tantes zei dat ik van die felle donkere ogen had als pasgeborene. Misschien had ik gewoon te veel temperament. Of, zoals sommigen van mijn yogavrienden zouden zeggen, misschien had ik nog wat ‘verkeerd’ karma uit een vorig leven meegenomen.

 

White spell

Ruim dertig jaar later hield ik zelf een kleuter in mijn armen die flauwviel. Mijn dochter had het ook, maar dan de ‘white spell’, omdat zij wit wegtrok. Zij viel geregeld flauw, meestal na een heftige pijnsensatie (bij oorontsteking of als ze van de fiets viel). De spell kan namelijk erfelijk zijn. Het is een beetje alsof je je kind ziet sterven, als ze zo slap in je armen hangt.

Gebeurt het vaker, dan herken je de reactie en weet je dat je er alleen maar hoeft te zijn om haar op te vangen. Ik hield haar wel vast. Bij mijn dochter ging het uiteindelijk over. Bij mij is het, volgens mijn ouders althans, na die ‘strijd’ bij mijn oma nooit meer voor gekomen.

 

Meer blogs ontvangen? Meld je dan aan: http://christeljansen.nl/newsletter/

Mijn omkeerjaar

By | Blog | No Comments

In mijn vorige blog, vroeg ik me af of mijn mening er wel toe doet. Een collega reageerde hierop met de opmerking dat een ‘schrijver zich geen valse bescheidenheid kan permitteren.’ Het zette mij aan het denken. Ik opereer het liefst in de luwte, maar heb mij in 2018 (zie vorige blog) voorgenomen meer van mezelf te laten horen.

Read More