Zoek je niche, schrijf, geef een boek uit en sla ondertussen wat zijpaden in

By | Blog

Je eigen boek uitgeven, lange tijd hing er een zweem van ‘mislukking’ omheen. Dan was je dus niet binnengekomen op de burelen van een uitgever. Eerlijk gezegd had ik altijd ook wel te doen met die mensen die hun roman in een oplage van een paar honderd exemplaren moesten zien te slijten. Tegelijkertijd was ik er dubbel in: had een van mijn lievelingsdichteressen, de Russische Marina Tsvetajeva, een van de groten van de vorige eeuw, niet haar eerste bundel in eigen beheer uitgegeven?

Er is een kentering gaande in het schrijversvak, zo zag de Auteursbond, de vakvereniging voor schrijvers en vertalers. Ze merkten daar dat het onderwerp leeft bij de achterban en dat het tijd werd alle inns en outs rond self-publishing eens grondig te beschrijven. In opdracht van de Auteursbond schreef ik een longread over het onderwerp. Self-publishing kan bijvoorbeeld wel eens een beter verdienmodel  zijn dan de traditionele weg via een uitgever. Want zelfs met een modelcontract in handen is het pezen: de auteur krijgt 10% royalties per titel, in een oplopende staffel naarmate er meer boeken worden verkocht (tot max. zo’n 15%). En afrekening één keer per jaar na afloop. Er zijn inmiddels zoveel nieuwe manieren van uitgeven verschenen (wie heeft de rechten over de podcast die van het boek is gemaakt? Of hoe zit dat met de Spotify voor boeken), dat men ook binnen de uitgeverswereld zelf zoekende is.

Het werd vooral  ook een  artikel  over empowerment van de schrijvende medemens, want eerlijk gezegd was ik behoorlijk onder de indruk van de auteurs die ik sprak. Stuk voor stuk ondernemende creatievelingen die niet bang zijn om hun hoofd boven het maaiveld uit te steken en zaken anders aan te pakken. Het zijn ook niet de minsten: Frank Krake kreeg zijn boek De laatste getuige op eigen kracht genomineerd voor de NS-Publieksprijs; Nanda Roep was de beoogde nieuwe Francine Oomen, maar had daar helemaal geen zin in en volgde haar eigen pad; Geert Kimpen had met zijn Kabbalist een bestseller, en besloot toch zelf het heft in handen te nemen door zijn eigen uitgeverij te starten.

Lees verder: https://auteursbond.nl/files/2019/01/AB_Longread_def.pdf

Stap uit je niche

Wat ik van de meeste auteurs/uitgevers die ik interviewde te horen kreeg: zoek je doelgroep en probeer je eigen niche te vinden. Dat was niet nieuw, maar toch raakte het me. Nanda Roep bijvoorbeeld leerde ik zo’n twintig jaar geleden kennen en af en toe lopen we elkaar ergens tegen het lijf.

‘In deze hoedanigheid (journalist) kende ik je nog niet,’ zei ze me toen ik haar sprak voor het artikel. ‘Elke keer als ik je spreek doe je wat anders.’

Is dat zo? Ik hoor het wel vaker, dat het lastig is voor mensen om me in een hokje te duwen. Nanda kent me als jeugdboekenschrijfster, pr-medewerker bij een uitgeverij (dat was twee decennia geleden een zwangerschapsvervanging), als voorzitter van een journalistenclub. Valt eigenlijk wel mee dus.

Voor mij blijft schrijven de boventoon voeren, maar ook iemand die schrijft moet eten. Zo simpel is het. Daarom ben ik yogales gaan geven (sorry, nog een ‘hoedanigheid’), nog voordat het zo booming werd. Het is prima te combineren met het zittend schrijversbestaan. Maar toch: doe ik niet te veel van alles wat en daardoor juist net niets?

 

Ego in meervoud

De Grieks-Armeense mysticus George Gurdjieff  beweerde dat je niet één bent, maar een menigte. Dat er vele ‘ikken’ en vele ‘ego’s’ zijn. Wat je ook verder van de man en zijn leringen moge denken, hier kan ik wel wat mee.

‘Focus je op je pad,’ leert de god Krishna zijn leerling, de strijder Arjuna, in de Bhagavad Gita. Maar dan moet je wel weten welk pad je gaat volgen. Bij Arjuna was dat eenvoudig, hij was geboren als strijder (in India lag dat een stuk duidelijker) en moest dus het slagveld opgaan.

Mijn pad loopt via kronkelpaden en zijwegen: schrijver, docent yoga- en meditatie en sinds een poosje studeer ik ook Religiewetenschappen. Maar de hoofdweg, de rode draad, blijft zichtbaar: alles gaat over zingeving. Is niet al het schrijven erop gericht om zin te geven aan het leven, al is het maar aan dat van jezelf: schrijven om de wereld te duiden? Het is trouwens opvallend dat het aandeel schrijvers/journalisten onder deze ‘tweede kans’-studenten relatief groot is.

 

Heksenkind

Toen tijdens de studie het onderwerp religie en gender aan de orde kwam, werd Monica Furlong veelvuldig geciteerd. Zij was feministisch theologe, maar ik ken haar als de schrijfster van de indrukwekkende jeugdromans Juniper en Heksenkind. Voor mij een verrassende ontdekking, maar zo logisch ook. Een en ander kan elkaar dus positief beïnvloeden. Mijn devies: hou je hoofddoel in de gaten, – je main road -, en maar sla met regelmaat eens een zijweg in. Er is zoveel boeiends, waarom zou je je grenzen niet oprekken?

Zoek je niche, schrijf, geef een boek uit en sla ondertussen wat zijpaden in

By | Blog

Je eigen boek uitgeven, lange tijd hing er een zweem van ‘mislukking’ omheen. Dan was je dus niet binnengekomen op de burelen van een uitgever. Eerlijk gezegd had ik altijd ook wel te doen met die mensen die hun roman in een oplage van een paar honderd exemplaren moesten zien te slijten. Tegelijkertijd was ik er dubbel in: had een van mijn lievelingsdichteressen, de Russische Marina Tsvetajeva, een van de groten van de vorige eeuw, niet haar eerste bundel in eigen beheer uitgegeven?

Er is een kentering gaande in het schrijversvak, zo zag de Auteursbond, de vakvereniging voor schrijvers en vertalers. Ze merkten daar dat het onderwerp leeft bij de achterban en dat het tijd werd alle inns en outs rond self-publishing eens grondig te beschrijven. In opdracht van de Auteursbond schreef ik een longread over het onderwerp. Self-publishing kan bijvoorbeeld wel eens een beter verdienmodel  zijn dan de traditionele weg via een uitgever. Want zelfs met een modelcontract in handen is het pezen: de auteur krijgt 10% royalties per titel, in een oplopende staffel naarmate er meer boeken worden verkocht (tot max. zo’n 15%). En afrekening één keer per jaar na afloop. Er zijn inmiddels zoveel nieuwe manieren van uitgeven verschenen (wie heeft de rechten over de podcast die van het boek is gemaakt? Of hoe zit dat met de Spotify voor boeken), dat men ook binnen de uitgeverswereld zelf zoekende is.

Het werd vooral  ook een  artikel  over empowerment van de schrijvende medemens, want eerlijk gezegd was ik behoorlijk onder de indruk van de auteurs die ik sprak. Stuk voor stuk ondernemende creatievelingen die niet bang zijn om hun hoofd boven het maaiveld uit te steken en zaken anders aan te pakken. Het zijn ook niet de minsten: Frank Krake kreeg zijn boek De laatste getuige op eigen kracht genomineerd voor de NS-Publieksprijs; Nanda Roep was de beoogde nieuwe Francine Oomen, maar had daar helemaal geen zin in en volgde haar eigen pad; Geert Kimpen had met zijn Kabbalist een bestseller, en besloot toch zelf het heft in handen te nemen door zijn eigen uitgeverij te starten.

Lees verder: https://auteursbond.nl/files/2019/01/AB_Longread_def.pdf

Stap uit je niche

Wat ik van de meeste auteurs/uitgevers die ik interviewde te horen kreeg: zoek je doelgroep en probeer je eigen niche te vinden. Dat was niet nieuw, maar toch raakte het me. Nanda Roep bijvoorbeeld leerde ik zo’n twintig jaar geleden kennen en af en toe lopen we elkaar ergens tegen het lijf.

‘In deze hoedanigheid (journalist) kende ik je nog niet,’ zei ze me toen ik haar sprak voor het artikel. ‘Elke keer als ik je spreek doe je wat anders.’

Is dat zo? Ik hoor het wel vaker, dat het lastig is voor mensen om me in een hokje te duwen. Nanda kent me als jeugdboekenschrijfster, pr-medewerker bij een uitgeverij (dat was twee decennia geleden een zwangerschapsvervanging), als voorzitter van een journalistenclub. Valt eigenlijk wel mee dus.

Voor mij blijft schrijven de boventoon voeren, maar ook iemand die schrijft moet eten. Zo simpel is het. Daarom ben ik yogales gaan geven (sorry, nog een ‘hoedanigheid’), nog voordat het zo booming werd. Het is prima te combineren met het zittend schrijversbestaan. Maar toch: doe ik niet te veel van alles wat en daardoor juist net niets?

 

Ego in meervoud

De Grieks-Armeense mysticus George Gurdjieff  beweerde dat je niet één bent, maar een menigte. Dat er vele ‘ikken’ en vele ‘ego’s’ zijn. Wat je ook verder van de man en zijn leringen moge denken, hier kan ik wel wat mee.

‘Focus je op je pad,’ leert de god Krishna zijn leerling, de strijder Arjuna, in de Bhagavad Gita. Maar dan moet je wel weten welk pad je gaat volgen. Bij Arjuna was dat eenvoudig, hij was geboren als strijder (in India lag dat een stuk duidelijker) en moest dus het slagveld opgaan.

Mijn pad loopt via kronkelpaden en zijwegen: schrijver, docent yoga- en meditatie en sinds een poosje studeer ik ook Religiewetenschappen. Maar de hoofdweg, de rode draad, blijft zichtbaar: alles gaat over zingeving. Is niet al het schrijven erop gericht om zin te geven aan het leven, al is het maar aan dat van jezelf: schrijven om de wereld te duiden? Het is trouwens opvallend dat het aandeel schrijvers/journalisten onder deze ‘tweede kans’-studenten relatief groot is.

 

Heksenkind

Toen tijdens de studie het onderwerp religie en gender aan de orde kwam, werd Monica Furlong veelvuldig geciteerd. Zij was feministisch theologe, maar ik ken haar als de schrijfster van de indrukwekkende jeugdromans Juniper en Heksenkind. Voor mij een verrassende ontdekking, maar zo logisch ook. Een en ander kan elkaar dus positief beïnvloeden. Mijn devies: hou je hoofddoel in de gaten, – je main road -, en maar sla met regelmaat eens een zijweg in. Er is zoveel boeiends, waarom zou je je grenzen niet oprekken?

Schrijfinspiratie nodig?

By | Blog

25 oktober – Hoe schrijf je je los?

uur, Ruimte voor Aandacht, Utrecht

Loop je vast in je artikel, verhaal of vertaling, en wil je technieken onderzoeken om weer verder te kunnen? Schiet het niet op met je werk en vind je het lastig om je te focussen tijdens het schrijven? Heb je het gevoel dat je jezelf herhaalt? Wil je op zoek naar een nieuwe uitdaging in het schrijven? Welke gedachten zitten je in de weg en hoe ga je daarmee om?

 

In de tweede editie van dit coachingscollege ga je praktisch aan het werk, met een kleine groep. Je werkt met schrijfoefeningen die je uitnodigen om vanuit een ander perspectief naar je eigen schrijfproces en je eigen teksten te kijken. Waar is je schrijfroutine nog vruchtbaar en waar niet meer? En is het dan mogelijk je routine te doorbreken en jezelf los te weken van vaste schrijfgewoontes? Met technieken vanuit mindfulness en yoga onderzoek je zonder deadline en zonder doel je plezier in het schrijven. Niets zweverigs aan, overigens. Beide benen blijven op de grond.

 

 Voor wie?

Schrijvers en vertalers die willen experimenteren met technieken om hun schrijfproces te analyseren.

 

Individueel vervolg?

Na een coachingscollege kun je nog individuele vragen hebben. Daarvoor biedt Christel Jansen ook individuele coaching aan, en de Auteursbond geeft een ruime vergoeding.

 

Praktische info

  • Datum: donderdag 25 oktober
  • Tijd: 13.00 tot 17.00 uur
  • Locatie: Ruimte voor Aandacht, Singelsteeg 2, Utrecht
  • Leden: € 30
  • Niet-leden: € 40. Als niet-leden binnen een week na het coachingscollege lid worden van de Auteursbond, wordt het verschil verrekend met de contributie.
  • Maximaal aantal deelnemers: 12
  • Koffie en thee inbegrepen
  • Aanmelden via:https://auteursbond.nl/agenda/event/25-oktober-hoe-schrijf-je-je-los/

 

Hoe je als schrijver je crisis te gelde maakt

By | Blog

De schrijver: hij schrijft zoals hij ademt en hij ademt zoals hij schrijft.

Met deze Russische uitdrukking opende journalist/schrijver Pieter Waterdrinker onlangs de VPRO avond waarin hij te gast was. Wat ermee wordt bedoeld? Ongeveer het volgende: het beste wat een schrijver kan overkomen is dat hij doordringt tot zijn eigen kern, zowel qua toon als qua thematiek.

Maar wat als de bron waaruit je put opdroogt? Als je niet meer weet waarom je eigenlijk schrijft? De Amerikaanse schrijfster Elizabeth Gilbert (van o.a. Eten, bidden, beminnen) schreef in haar column in Happinez hoe ‘beangstigend stuurloos’ zij zich voelde, toen ze merkte dat ze totaal geen passie meer voelde voor het boek waar ze al een tijdlang aan werkte. Op advies van een vriendin stortte zij zich op het tuinieren. Het had een louterend effect en na een half jaar kon ze weer verder met haar manuscript. Ik ken schrijvers die gaan wandelen, schilderen, of als postbode aan de slag gingen. De onlangs overleden Renate Dorrestein maakte haar crisis te gelde en schreef De Blokkade over haar ‘writersblok’. Zelf pakte ik weer een studie op: religiewetenschappen. Het gaf me een boost aan zelfvertrouwen. Ik merkte niet alleen dat mijn hersenen nog prima werken (iets trager misschien dan een kwart eeuw geleden), maar ook dat ik inspiratie haal uit de grote verhalen van de wereldreligies.

 

Mijn biecht

Een van de schrijvers die zijn crisis als geen ander in beeld bracht, was Lev Nikolajevitsj Tolstoj (1828-1910). De schepper van klassiekers als Anna Karenina en Oorlog en vrede was de vijftig gepasseerd, had alles – grote roem als schrijver, rijkdom was hem door zijn geboorte als graaf al toebedeeld – maar vroeg zich af wat de zin van het leven was. Hij voelde zich overbodig, nutteloos en onbegrepen. Zelfdoding leek hem de enige logische uitweg. Alleen begreep hij niet waarom hij dat dan toch niet deed en hij vroeg zich af wat het dan was dat hem aan het leven bond? Hij ging onder andere te rade bij de wetenschap, de filosofie, de Russische Orthodoxe kerk en bij het boeddhisme. Zijn zoektocht noteerde hij nauwgezet in Mijn biecht.

Op zijn negentiende was Tolstoj al met de oosterse leer in aanraking gekomen, toen hij een boeddhistische monnik ontmoette die herstellende was van een roofoverval. De monnik vertelde Tolstoj dat hij niet had teruggevochten omdat hij het boeddhistische principe van ahimsa, geweldloosheid aanhing. Daarmee maakte hij diepe indruk op de jonge graaf, die de rest van zijn leven interesse in deze leer zou houden.

Van pen naar zeis

Tijdens zijn crisis vindt Tolstoj zelfs bevestiging in de leer van Boeddha. Predikte die niet dat het leven lijden is? ‘Te leven met het besef dat lijden door ziekte, oude leeftijd of dood onvermijdelijk is, zou men zich moeten bevrijden van het leven,’ schrijft de getergde schrijver. ‘Ik wist niet wat ik wilde: ik was bang voor het leven, wilde het verlaten, maar ondertussen verwachtte ik er toch iets van.’

Tolstoj had in die tijd nog maar weinig bronnen over het boeddhisme tot zijn beschikking. Hij kon misschien niet weten dat zelfmoord in de opvatting van Boeddha geen optie is, omdat lijden nu eenmaal bij het leven hoort.

Uiteindelijk ruilde Tolstoj zijn pen in voor een zeis en ging hij met de boeren het land bewerken. Hij mat zich een uiterst sobere en eenvoudige levensstijl aan, maar voor de arbeiders op zijn landgoed was het niet meer dan een gril van de gefortuneerde landheer.

Voor Tolstoj niet: hij wilde de armoede niet alleen voor zichzelf, maar ook voor zijn naasten. Hij had de mond vol over naastenliefde, maar ontvluchtte op hoge leeftijd het huis om te ontkomen aan de ruzie met zijn vrouw en enkele van zijn kinderen – die er niet van gecharmeerd waren dat hij afstand had gedaan van zijn auteursrechten.

 

En de vogel die vliegt

En toch was het juist deze periode van wroeten in de aarde die de schrijver nieuwe inzichten bracht.

Twee jaar lang dacht hij dat de daden van het gewone volk er als enige toe deden, om er uiteindelijk achter te komen dat ieder mens en ieder dier zijn eigen taak te vervullen heeft, dat ‘de vogel bestaat om te vliegen.’

‘Wat moet de mens dan doen?’ zo vraagt hij zich af. ‘Hij moet het leven net zo gewinnen als dieren, met dit verschil, dat hij te gronde gaat wanneer hij het als eenling gewint, hij moet het niet voor zichzelf gewinnen, maar voor anderen. En als hij dat doet, dan weet ik zeker dat hij gelukkig is en zijn leven zinvol.’ En even verder vervolgt hij zijn stichtende woorden: ‘?Als ik niet doe wat van mij wordt verlangd, dan zal ik nooit en te nimmer begrijpen wat er van mij wordt verlangd, en al helemaal niet wat er van ons allen en van de gehele wereld wordt verlangd.’

Nog een inzicht: op het land zag hij ook dat de hardwerkende en diepgelovige landarbeiders een ‘rustige dood stierven, zonder angst en wanhoop’.  ‘In onze kringen een zeer zeldzame uitzondering, ‘noteert Tolstoj, ‘terwijl een onrustige, opstandige en vreugdeloze dood juist een erg zeldzame uitzondering is bij het volk.’ Het leverde de wereldliteratuur de novelle De dood van Ivan Iljitsj op, en de familievete verwoordde hij in De Kreutzersonate.

Toegegeven, zijn grootste werken schreef hij voor zijn midlife crisis, maar hij keerde uiteindelijk toch terug naar de taak die voor hem op deze wereld was weggelegd: schrijven.

 

 

De citaten zijn afkomstig uit Mijn biecht van Lev Tolstoj, vertaling Arthur Langeveld met een nawoord van Patricia de Martelaere, uitgave van de erven J. Bijleveld, 2017 4e editie.

 

Op 11 september geef ik weer een workshop dat raakt aan dit thema: https://auteursbond.nl/agenda/event/11-september-hoe-schrijf-je-je-los/

 

Wil je mijn blogs blijven volgen? Schrijf je dan in op: http://christeljansen.nl/nieuwsbrief/

Zit, loop, poets en schrijf – gedachtes over meditatie, schrijven en een Russische dissidente dichter.

By | Blog

In 1998 verbleef ik in het gastenverblijf De Slangenburg in Doetinchem en maakte per abuis kennis met zenmeditatie. In de nabijgelegen Sint Willibrordsabdij bleek een plek vrij te zijn gekomen in de groep die er een meditatieretraite volgde. De zenmeester was Ton Lathouwers. Hij instrueerde me hoe te zitten voor zazen (zitmeditatie) en hoe te lopen bij kinhin (loopmeditatie), met aandacht en met inzet van de ademhaling. Verder geen uitleg, louter ervaren. Wat mij aantrok was de eenvoud. Er gebeurde niets speciaals daar in het stiltecentrum. Toch bleef ik thuis mediteren, ’s avonds een kwartiertje, nadat ik mijn (toen nog jonge) kinderen naar bed had gebracht. Het was alsof ik me oplaadde om daarna met mijn schrijven aan de slag te gaan. Meditatie hielp me te focussen, minder te piekeren en zo ontstond er ruimte in mijn overvolle brein. Ik besloot vaker in retraite te gaan.  Ik ging om alleen te zijn, om de stilte en stiekem ook om in mijn hoofd de plot voor een verhaal uit te denken, maar dat bleek niet de bedoeling. Niet lang daarna verscheen mijn eerste fictieboek.

 

Kleurrijk en onmogelijk

Aan deze periode dacht ik terug toen ik onlangs voor een artikel het verband tussen adem en schrijven verder wilde uitdiepen en een fragment tegenkwam waarin dit haarfijn wordt weergegeven. Ik las het in  Limonov van Emmanuel Carrère, een biografie over de avantgardistische ‘enfant terrible’ van de Russische literatuur.

De dissidente dichter Edward Limonov (1943), is een zowel onmogelijk als kleurrijk figuur. Hij werd in 1974 de Sovjet-Unie uitgezet, belandde in New York waar hij aan de zelfkant van de samenleving leefde, maakte furore met opruiende romans als Ik ben het Eddy en De Russische dichter houdt van grote negers, woonde als linkse intellectueel in Parijs, streed mee met de ultrarechtse huurlegers in de Servisch-Kroatische oorlog en keerde terug naar Rusland waar hij zich aansloot bij de oppositie tegen het regime van Poetin. Maar Poetin is niet gediend van oppositie en Limonov belandde in een streng bewaakte gevangenis.

 

Dromen is geen meditatie

Hier leerde Limonov, te midden van zware criminelen, mediteren van pasja Ribki. Deze pasja was een ‘kolos met een kaalgeschoren knikker’ die er op zijn dertigste al tien jaar gevangenis op had zitten. Hij at geen vlees, dronk heet water in plaats van thee ‘en deed indrukwekkende yogaoefeningen,’ zo schrijft Carrère. ‘Aanvankelijk gaat Limonov met gesloten ogen in lotushouding op zijn brits zitten, maar zodra hij de techniek onder de knie heeft, merkt hij dat hij overal kan mediteren, in alle discretie (…) onder de ochtendlijke vloeken van de begeleiders leert Edward zich in zichzelf terug te trekken en het gebied te bereiken waar hij buiten bereik is, rust vindt.’

Hij werd overgeplaatst naar een werkkamp waar het credo luidde: werken om te werken. Limonov voerde zijn taken, absurde schoonmaakklussen, met akelige precisie uit. Uren achtereen poetste hij wc-potten tot ze glansden als nooit te voren. Hij merkte dat hij bij het uitvoeren van deze monotone, repetitieve taken vanzelf begon te dromen. Carrère: ‘De pasja had hem hiertegen gewaarschuwd: dromen is exact het tegengestelde van mediteren. Het is een geestelijke ruis waarvan de meeste mensen zich niet eens bewust zijn, ook al gaat het om de ergste vorm van energie- en tijdverlies. Om eraan te ontsnappen telt Edward zijn ademhalingen, rekt ze, concentreert zich op de weg die lucht aflegt van zijn neusgaten tot zijn onderbuik en terug, of hij zegt gedichten op die hij uit het hoofd kent en focust zijn aandacht op elk vers, of –en dat gebeurt het vaakst – hij schrijft. In zijn hoofd natuurlijk, zoals Solzjenitsyn dat vijftig jaar eerder heeft gedaan: hij voltooit zin na zin, paragraaf na paragraaf, hoofdstuk na hoofdstuk, leert alles gestaag van buiten en verbetert zo dagelijks de prestaties van een sowieso al indrukwekkende harde schijf.’

 

Oproep!

Limonov gebruikt meditatie om te schrijven, om zijn geheugen te trainen zodat hij de zinnen en de woorden waarmee hij de verhalen van zijn medegevangenen in wilde weergeven, wist vast te houden. Beter kun je bijna niet verwoorden hoe ademhaling/meditatie en schrijven op elkaar inwerken. Ik ben op zoek naar scenes van of over andere schrijvers over de wisselwerking tussen meditatie en schrijven. Dus bij deze doe ik eens een oproep: gezocht scenes over ademen/meditatie en schrijven!

 

 

 

 

 

 

 

 

Een ochtendritueel – Ademen en schrijven 1

By | Blog

Jarenlang schreef ik voor de boekenbijlage van dagblad Trouw. Het was nog in de tijd vóór internet, dat je je artikelen uitknipte en keurig bewaarde in een map. Mijn zwager die in het buitenland woonde, wilde een keer toen hij op bezoek was, lezen wat ik zoal had geschreven. Ik gaf hem de map en hij las al mijn recensies achter elkaar. Het viel hem op dat ik een artikel vaak met een citaat begon. Niets mis mee op zich en ik wist dat een citaat vaak een prima manier is om mee van start te gaan, maar toch voelde ik me betrapt, alsof ik een kunstje uithaalde, alsof ik niet creatief met mijn teksten omging.

Als schrijver/journalist kun je er beter voor waken dat je niet te veel gewend gaat raken aan het stramien waarin je schrijft. Alsof je jezelf bij elke tekst weer een beetje opnieuw uitvindt, elke tekst een nieuwe uitdaging voor je creativiteit is. Je stijl mag herkenbaar zijn, graag zelfs, maar schrijven moet nooit voorspelbaar worden. Dan roest je vast.

 

Ochtendpagina’s                                                                                                                                              

Nu overkomt dit iedereen weleens. Mij ook recent nog, zoals ik in eerdere blogs al aangaf (http://christeljansen.nl/2018/01/15/hoe-het-bizarre-verhaal-van-mijn-hoofdpersoon-me-naar-mezelf-leidde/ en  http://christeljansen.nl/2018/05/12/inspiratie-is-geen-goddelijke-bron-schrijfplezier-wel/). Ik sloeg daarom The Artist’s Way van Julia Cameron maar weer eens open. Een jaloersmakende bestseller, hordes mensen lopen met de methode Cameron weg. Ik ben eerlijk gezegd nooit verder gekomen dan de morning pages, want het is voor mij een te Amerikaans,  juichend boek. De bedoeling van deze ochtendpagina’s is dat je elke dag meteen na het opstaan drie bladzijden vol pent, ongestructureerd, uit de losse pols. Het zou je helpen om weer los te komen, je geest te legen en ruimte te maken voor creativiteit.

Ik schoof mijn weerstand opzij en ging aan de slag. Ik merkte dat het prettig is om te schrijven alleen om het schrijven. Het begon zelfs mijn meditatie te vervangen. Ik schreef over de dromen die nog vers in mijn geheugen lagen, dingen die me waren opgevallen, niet eens zozeer over zaken die me dwarszaten, meer momenten waar ik bij stil wilde staan. Ik ging er met mezelf over in gesprek. Zo ontstond er een soort dagboek in de vorm van een inner dialogue. Wel een weergave die niet veel met de werkelijkheid vandoen heeft, maar misschien is dat juist wel hét kenmerk van een dagboek.

 

Andere (adem)modus

Een voorwaarde is dat je met de hand schrijft. En dat maakt dat je niet alleen langzamer gaat schrijven,  je vertraagt, je ademhaling past zich aan. Je komt in een andere modus, je gedachtestroom verdunt, er komen gewoon minder gedachten door. Je focust je op datgene waar je mee bezig bent: je schrijft. En dat leidt ook tot beter formuleren (type ik nu op mijn pc in).

Ik hield het een poos vol tot ik mezelf er op een gegeven moment op betrapte dat ik het gewoon niet meer deed. Ook goed. Zo gaat dat met dingen die heilzaam zijn, een tijdlang hebben ze een functie en dan is het weer oké.

Over het verband tussen schrijven en ademen valt nog veel meer te zeggen. Het mooiste daarover vond ik in een biografie over een Russische schrijver. Daarover meer in een volgende blog.

 

Hoe een bos bloemen en verse pens mij weer lol in het schrijven gaven

By | Blog

Als je over jezelf gaat schrijven kun je herinneringen bijeengaren en aan elkaar plakken, je ontdekt lijnen die je eerst niet zag en speelt met je leven. Door mijn eigen geschiedenis opnieuw vorm te geven, kreeg ik weer plezier in het schrijven.  Tegelijkertijd  besefte ik dat er altijd onbeantwoorde vragen zullen blijven.

Zo heb ik bijvoorbeeld nooit begrepen waarom ik mijn moeder op mijn vierde niet eerlijk heb gezegd dat ik niets rook toen ze een bos bloemen onder mijn neus hield.

Het was niet lang nadat mijn amandelen waren geknipt. Een periode van oneindig veel ijsjes eten, waarin ik in het grote bed van mijn ouders mocht liggen tussen alle cadeautjes die ik van de buren uit de portiek had gekregen.

‘Ruik eens hoe lekker,’ zei mijn moeder. De rozen waren lichtroze, mijn lievelingskleur in die tijd.

Ik snoof, inhaleerde diep, maar rook  niets.

‘Lekker,’ zei ik om mijn moeder niet teleur te stellen.

Pas acht jaar later vertelde ik het aan mijn ouders.

 

 

Mijn bekentenis

Aan de voetstappen van mijn vader hoorde ik dat er iets mis was. Zonder kloppen viel hij mijn kamer binnen.

‘Heb jij die ketel op gezet?‘

‘Is er dan wat?’

‘Weet je wel dat we er bijna waren geweest?’ De vlam was uitgewaaid. Hij had net een sigaret willen opsteken, toen hij de geur van gas opsnoof die vanonder de keukendeur opsteeg.

‘U moet ook niet roken.’

Hij keek me aan, nam een haal en zei: ‘Ik zie dat je het niet expres hebt gedaan. Voortaan wel beter opletten jij. Ze hebben niet voor niets een geurtje aan het gas toegevoegd.’

Hij hield de deurklink al in zijn handen toen ik zei: ‘Ik kan niet ruiken.’

Hij draaide zich abrupt om.

‘Wat is dit voor onzin?’

 

‘Ik kan niet ruiken,’ herhaalde ik even later in de huiskamer, waar mijn moeder bij was.

Ze zaten naast elkaar op de bank, mijn ouders. Normaal  leunde mijn moeder tegen mijn vader aan of sloeg hij zijn arm om haar heen, nu niet. Ze zaten stijf rechtop naast elkaar en zwegen. Ze wisten niet of ik hun voorloog of niet.

Ik wist niet wat ik met de stilte aan moest. Eens moest ik toch zeggen dat ik, net als mijn dove broertje David, een dood zintuig had. Ik kon mijn tong wel afbijten. Wat zou het dat ze het wisten?

‘Proef je wel wat?’ vroeg mijn vader.

‘Ik proef heus wel als de melk bedorven is.’

Dat was trouwens niet waar, ik voelde het doordat de brokken tegen mijn gehemelte bleven kleven.

‘Vervelend voor je,’ zei mijn moeder.

 

 

De lakmoesproef

Mijn vader besloot me met een test op de proef te stellen. Een paar dagen later kwam hij thuis met verse pens.

‘Voor de hond van de buren,’ zei hij tegen mijn moeder die hem verbaasd aankeek. Ze wist dat mijn vader niet veel op had met huisdieren, al vond hij de Keeshond van de buren, die ook nog eens Keesje heette, best oké.

David kneep zijn neus dicht toen mijn vader vroeg of ik het vlees naar de buren wilde brengen.

Ik veronderstelde dat iemand een scheet had gelaten, want ook dan trok Daaf een gekke bek.

Mijn buurmeisje vroeg of ik die troep voortaan thuis wilde laten toen ik het bakje van Keesje vulde. Die was in zijn element.

‘Hoezo?’ vroeg ik aan mijn buurmeisje.

‘Verse pens, trut, dat stinkt erger dan stront, het is gewoon crimineel.’

 

Zonder dat ik het doorhad was ik cum laude geslaagd voor de test. Mijn ouders waren er nu definitief van overtuigd dat ik niet kon ruiken.

Daarmee was de zaak afgedaan.

 

 

 

Inspiratie is geen goddelijke bron, schrijfplezier wel.

By | Blog

Als inspiratie niet vanzelf komt, moet je het afdwingen. Of in de woorden van de Amerikaanse componist en dirigent Leonard Bernstein: ‘Inspiration is wonderful when it happens, but the writer must develop an approach for the rest of the time… The wait is simply too long.’

Toch leeft nog het ingesleten denkbeeld dat inspiratie een goddelijke bron is, een inval, een muze, een bliksemschicht, iets wat je overkomt.

Ik geloofde dus niet echt in goddelijke inspiratie, maar ook niet in een writer’sblock. Onzin. Schrijven is gewoon werken, herschrijven, doorgaan.

Tot ik zelf vastliep.

Een dierbare vriendin zei me naar een helderziende te gaan.

 

Verloren identiteit

Ik was al eens eerder bij Yvonne Bartels http://www.yvonnebartels.nl geweest. Die had me gemasseerd en al knedend op mijn vastzittende schouder, vertelde ze me dat ze een lange man voor zich zag met een bos wit haar (zou mijn vader kunnen zijn), een Ford (voor dat bedrijf heeft mijn vader zijn leven lang gewerkt) en de oorlog (de vader van mijn vader sneuvelde op 10 mei 1940). Ze zei nog wat steekwoorden en wist daarmee mijn vader (al 36 jaar dood) heel raak te typeren.

Bij mijn tweede bezoek aan Yvonne deden we in plaats van massage een systeemopstelling (variant op familieopstellingen). Ik vertelde haar dat er nog  nooit zoveel jaar tussen de publicatie van twee boeken had gezeten, dat ik het gevoel had mijn identiteit kwijt te zijn en dat ik had gefaald in dit project (zie eerdere blogs). Maar tegelijkertijd zei ik haar dat dit boek zou er komen. Al is het alleen  al omdat ‘een moeder-die-niet–kan-moederen’ nog steeds zo’n groot taboe is. En om te laten zien hoe diepgravend de effecten daarvan op de kinderen zijn.

We stelden onder andere het boek op. Wederom vertelde Yvonne me dingen die ze niet kon weten, maar die zo goed aansloten bij wat ikzelf had onderzocht. Nee, ik verklap nog even niet wát, later misschien wel, als ik verder ben.

 

Weer lol in het schrijven

Ze gaf me het advies mee om fictie van het manuscript te maken, omdat ik alleen zo tot de essentie van de moeder kon doordringen. Zelf heb ik dat ook al meermalen overwogen.

Ze bevestigde waar ik zelf mee bezig was, maar doordat zij het uitsprak, was het alsof ik het nu kon loslaten. Ja, dit boek drukte op me. En ja, het klopt dat ik het plezier in het schrijven was verloren.

Yvonne liet me inzien dat ik eerst weer dit plezier terug moest zien te vinden, en dan pas verder kon met het boek.

Dus dacht ik: als je de verhalen van anderen optekent, wordt het dan geen tijd  om te zien hoe het werkt als je jouw eigen verhaal opschrijft. Dus begon ik de gebeurtenissen uit mijn leven op een hoop te gooien, te kneden en op wonderlijke wijze in elkaar te knopen. Ik kreeg er lol in. Niets zo vermakelijk – en confronterend, dat ook – dan je leven opnieuw vorm te geven.

Volgende blog lees je hoe ik dat heb gedaan.

 

Meer blogs ontvangen? Meld je dan aan: http://christeljansen.nl/newsletter/

 

 

Niemand vindt zichzelf slecht, dus ook mijn hoofdpersoon niet

By | Blog

 Schrijven als oefening in compassie

 

 

Mensen vragen me met enige regelmaat meer te vertellen over mijn worstelingen met het schrijven.

Laat ik een poging wagen, want zo kan ik zelf ook ontdekken wat me dwarszit in de tragische familiegeschiedenis die ik aan het uitpluizen ben en waar ik steeds in vastloop.

Ik startte zoals elke biograaf. Begon met het interviewen van de hoofdpersonen, mensen in de eerste, tweede, derde kring er omheen.

Ik kwam steeds meer over het leven van de kinderen van de moeder- die–geen–moeder kon zijn te weten. En dat maakte dat ik weerzin ontwikkelde tegen haar, de hoofdpersoon. Dat bleek funest. Een schrijver behoort boven de partijen te staan en moet zich in elk personage kunnen inleven.

Een collega geeft me de tip om deze niet-moeder te beschrijven als de antagonist, de tegenspeler.

Ik weet niet waar te beginnen.

 

David Grossman, de gelauwerde Israëlische auteur, schrijft in het indringende essay De ander van binnenuit kennen, dat je ernaar moet streven om ‘de kern te bereiken van de ander als ander, en daar de ander te ervaren als iemand die zelfstandig en onafhankelijk bestaat, als iemand die een hele wereld is met een eigen innerlijke geldigheid en een eigen innerlijke logica.’

Grossman heeft het over een helder besef krijgen van de ander, het principe van de ander.

 

Fall in love with the bad ones

Een paar jaar geleden volgde ik een vierdaags seminar van de Amerikaanse fameuze scriptdokter Robert McKee.

Daaruit is me onder andere de volgende quote bijgebleven: ‘It is essential to fall in love with all your characters, especially the bad ones.’

Zijn oplossing: voel je weerzin naar een personage, vraag je dan af: wat zou ik in zijn of haar plaats doen? Bedenk dan dat je alles doet om je uit de situatie te redden. Niemand wil als een ellendeling overkomen. ‘No one thinks he is bad.’

 

 

Boeddha logica

In feite zegt McKee dat je mededogen moet hebben. En dat brengt me bij een Boeddhistische oefening in compassie die ik ooit tijdens een retraite leerde.

Een meditatie oefening:

–  Eerst ga je compassie voelen voor iemand die je graag mag (makkie).

–  Dan voor een neutraal persoon , een onbekende: een voorbijganger, de kassière bij Albert Heijn, de man die met zijn wandelstok de straat oversteekt. Je haalt je die persoon voor de geest en visualiseert dat het hem of haar goed gaat (ook niet ingewikkeld).

–  Pas nu komt de echte oefening: je neemt een persoon voor ogen die je tegenstaat, of die je zelfs haat. Bedenk dan eerst waar je zelf in je leven gebreke bent gebleven, zo oefen je in nederigheid. Neem dan weer die nare persoon voor ogen, stel hem/haar voor als kind. Want is het niet zo dat ook de meest wrede heersers ooit onschuldige kinderen waren? Visualiseer vervolgens hoe die persoon was als kind. Soms komt er dan een beeld boven, waardoor je bepaalde handelingen of karaktertrekken kunt begrijpen.

Binnen het boeddhisme oefen je zo mededogen: uiteindelijk gun je ook een slechterik een wedergeboorte in de hemel.

 

Innerlijke logica

Als schrijver ga ik op zoek naar de prille jeugd van de anti-held, en dan vooral naar het moment waarop ze haar onschuld verloor en haar leven volgens haar innerlijke logica begon vorm te geven.

 

Meer blogs ontvangen? Meld je dan aan: http://christeljansen.nl/newsletter/